Anton | presentaties | Nieuwe pagina | artisten | Oude platen no 4 | Nieuwe pagina | Brieven | Gedichten | Artikelen | Boerderijen | Foto's | Mp3 nummers | Krijgsgevangene 1943 - 1945 | Krijgsgevangene 2 | Krijgsgevangenen 3 | Krijgsgevangene 4 | Garnalen vissen | linken | Titels cd nummers | Vacantie reizen

Voor de geschiedenis hebben wij niet bestaan

 

 

De lange lijdensweg van krijgsgevangenePim Helsdingen in Nazi-Duitsland

 

 

 

 

 

Van het bevaren van de zeven zeeën is voor W.P.G.Helsdingen (83) niet veel gekomen, nadat hij als 16 jarige bij de marine als beroepsmilitair had gesolliciteerd. In plaats daarvan werd hij op 17 jarige leeftijd op 10 mei 1940 hoogstwaarschijnlijk de eerste gewonde bij de marine en na zijn herstel vrijwel zeker de jongste Nederlandse krijgsgevangene.Hij kwam in Augustes 1942 op erewoord vrij, maar werd in Mei 1943 net als zovele voormalige Nederlandse militairen ( zie ook pagina 20 en 21 ) als krijgsgevangene op transport gesteld naar Duitsland, waar hij na talloze ontberingen in verschillende kampen in April 1945 werd bevrijd.

 

 

 

 

Helsdingen stond in Mei 1940 als matroos 3e klasse op de torpedoboot Hr.Ms.Z5 kanonnier van kanon 1 terzijde bij het samen met met de motortorpedoboot TM 51 beschieten van de Duitsers op de Maasbruggen. Zwaar tegenvuur vanaf het Noordereiland en bommen van naar beneden gierende Stuka’s van de Luftwaffe en vanaf de bruggen weerhield de bemanningen van de schepen er niet van aan te vallen tot al hun munitie was verschoten.

Ëen aantal leden van de geschutsbemanning raakte gewond. “Waaronder ik zelf, verteld Helsdingen.�Het bloed liep uit mijn schoen, maar er was geen dokter aan boord. Benedendeks moest ik krimpend van de pijn het verloop van de strijd afwachten.�

Pim Helsdingen werd opgenomen in een ziekenhuis in Hoek van Holland en na twee dagen met zeven gewonde Nederlandse soldaten naar Den Haag vervoerd. Onderweg stierven in de Rode-kruiswagen twee soldaten. Later werd hij met andere marinemannen in Veenendaal als krijgsgevangene geïnterneerd. Hij begrijpt nog steeds niet dat de beroepsmilitairen in 1940 niet naar Engeland zijn geëvacueerd.�Er waren schepen genoeg!�In plaats van voor de geallieerde zaak de oorlog te kunnen voort te zetten, werden ze, na half 1942 op erewoord vrijgelaten, in mei 1943 in veewagens naar het oosten getransporteerd. “Ongeveer tweeduizend beroepsmilitairen, onder wie negenhonderd man van de marine. We hadden geen idee waar we naar toe gingen. Onderduiken? Graag, maar bij wie? Je kreeg steeds hetzelfde antwoord:�Niet bij mij, niet bij mij.�Ik durf te stellen dat 95 tot 98 procent van het Nederlandse volk niet eens weet dat dat er tweeduizend beroepsmilitairen in Duitsland achter het prikkeldraad hebben gezeten tot aan de bevrijding op 21 April 1945 uit Stalag V A in Ludwigsburg door de “Vrije Fransen�. Voor de geschiedenis hebben wij niet bestaan.

 

 

 

 

 

 

    W.P.G.HelsdingenDoor: Dick Schaap
Uit Checkpoint  3 April 2006

Fred Lardenoye

 

                                                     Fort Honger

 

   

Vermoeid, hongerig en dorstig kwamen ze aan in Altengrabo, ten zuidwesten van Maagdenburg. Een kamp met zeventigduizend krijgsgevangenen van allerlei nationaliteiten.�Het eerste wat wij in Altengrabo zagen waren twee Russen die omwikkeld met prikkeldraad op de grond lagen.

Een van hen scheen mij toe te lachen, maar het was meer een grijns van pijn. We sliepen in oude paardenstallen van de Duitse cavalerie. De stank was niet te harden,� verteld Helsdingen. “We leerden daar in de rij staan voor een blikje stinkende soep of andere drab. Een week later mochten we douchen. Met vijftig man tegelijk onder miezerige straaltjes. We hadden niets te doen en verveelden ons rot. Op een avond zongen we Hollandse liedjes bij de prikkeldraad versperring die ons scheidde van de Russen. Ze zongen zelf ook. Dat was leuk. Maar dat zingen werd de volgende dag meteen door de Duitsers verboden.�

Op 27 Mei 1943 werden de marinemannen met de trein in veewagens op transport gesteld naar Niederhausberg. “Het leek een eindeloze reis. We arriveerden er de volgende avond .Van daar moesten we acht á tien kilometer lopen naar fort Kronprins, een ondergronds fort bij Straatsburg. Daar hebben we het heel slecht gehad�, Zegt Helsdingen. “Het werd Ford honger genoemd. We moesten werken, maar dat was volgens ons in strijd met de Haagse Conventie van 1907.�Wie niet werkt zal niet eten,�zeiden de Duitsers. Dat kun je wel een poosje volhouden, maar ze beperkten ook het water rantsoen. We aten brandnetels en blaadjes van de langs de droge slotgracht groeiende paarde bloemen om in leven te blijven. De commandant had bevolen dat ongeveer driehonderd man naar een werkproject moesten. Onder veel geschreeuw werd de groep samengesteld. Ik kon me op tijd drukken. Erg ver is de groep niet gekomen. Na twee drie kilometer lopen waren er zoveel uitvallers, dat de groep moest terugkeren. Gelukkig zijn we niet lang in "fort honger" gebleven. We moesten weer de veewagens in.�

 

 

 

In Stuttgart werden de marinemannen in Juni 1943 in de Stadthalle ondergebracht. Het was een houten sporthal waar in betere tijden de zesdaagse wieler wedstrijd van Stuttgart werd verreden. In het midden, het rennerskwartier, stonden ijzeren stapelbedden in blokjes van vier. Verder stonden er lange houten tafels en banken�vertelt Helsdingen. In het begin hoefden de krijgsgevangenen niet te werken. Ze maakten de eerste bombardementen mee. “Gooi de zaak maar plat�, riepen Helsdingen en zijn makkers als ze bij het luchtalarm naar de overdekte schuilloopgraven buiten de Stadthalle renden. “We voelden ons onder die twintig centimeter aarde zo veilig. Maar dat was het niet�, zegt hij. Op 7 Oktober 1943 werd de Stadthaalle getroffen door brandbommen. De sporthalle ging in vlammen op. “Ausgebombt!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hadden niets meer, alleen nog de kleren die we aan hadden. We werden toen ondergebracht in de Schabschule und Moltkeschule in Stuttgart. Ik nam voortaan bij luchtalarm altijd mijn etens pannetje, kroes en handdoek mee.�

De oorspronkelijke confessionele scholen hadden geen schuilkelders. Die moesten we eerst maken. Dat deden we na ons werk bij toerbeurt, ook ’s nachts. De meeste krijgsgevangenen waren in Suttgart ingeschakeld bij het puinruimen en het uitgraven van kapotte rioleringen en leidingen. Als je buiten werkte, dan had je soms de kans aan Duitse burgers brood of broodbonnen te vragen of eten te stelen. In het begin kreeg ik dat vragen niet uit mijn strot. Op een gegeven moment begon ik ook alles te pikken wat ik maar pikken kon. Er waren ook krijgsgevangenen bij de interne dienst ingedeeld. Ze moesten het lager schoonhouden en konden hun karige rantsoentje niet aanvullen. Het gevolg was dat er klachten kwamen over vermiste etenswaren. Een gevangene die betrapt werd op het stelen van een brood werd aan de schandpaal genageld. Hij moest ’s avonds met een bord om zijn nek staan, waarop geschreven stond dat hij brood van ons had gestolen. Ik vond die straf schandalig en sadistisch.�

 

 

 

 

 


Herr Meister metselaar

 

 

Herr Meister metselaar

Pim Helsdingen werd ingedeeld bij de verbouwing van een ziekenhuis in Stuttgart. “Voor een met Herr Meister aan te spreken metselaar moest ik zand, cement en water in een grote ijzeren bak mengen tot metselspecie. Een hondszwaar karwei. “Terwijl herr meister voortdurend “Auf!,Auf! schreeuwde , moest ik de specie in een kleinere , maar zeker 15 kilo wegende , houten bak via een ladder op de steiger brengen. Mijn conditie was heel erg slecht. ’s Avonds was ik helemaal kapot! Die herr meister was een echte heikneuter. Vanwege zijn dialect was hij nauwelijks te verstaan. Hij zag scheel maar niet van de honger. Hij at sneden brood met dikke plakken worst en kaas, maar voor ons kon er geen kruimeltje af. Het voordeel van specie maken was, dat ik vlak bij de voorraadkamer van het ziekenhuis werkte. Ik zag een vrouw uit een ton een mandje met eieren vullen. Het water liep mij uit de mond. Terwijl mijn gabber Bernhard de schilwacht aan de praat hield, zag ik kans vier eieren te stelen en het fouilleren in het lager te omzeilen. We droegen voetlappen. Van een voetlap had ik voor de eieren twee zakjes gemaakt. Ze hingen hoog tussen mijn benen aan een touw dat ik om mijn middel had geknoopt. Na een paar weken was ik toch de klos. Niet voor het stelen van eieren, maar omdat ik het�Auf,Auf" schreeuwen van Herr Meister op de steiger niet meer kon verdragen. “Ach kerel, loop naar je verre Duitse moer, klootzak!� schreeuwde ik terug. Helaas werd het gehoord door een schildwacht die vroeger vier jaar in Groningen had gewerkt. Die rotzak verstond wat ik naar Herr Meister had geschreeuwd.�

 

 

 

Jan Kont

 

Voor die uitval werd Helsdingen bij de strafgroep 44 ingedeeld. Dun gekleed sleuven hakken en graven met een pikhouweel, een spade met een lange schep in de vrieskou voor het leggen van een gasleiding. Het vroor twaalf graden. Het werken leverde hem de nodige botsingen op met Jan Kont, een Duitse onderofficier die zo werd genoemd vanwege zijn figuur. Hij had smalle schoudertjes, maar de kont van een Belgische knol. Alle ongemak en ontberingen vielen echter in het niet bij de gevolgen van de zware bombardementen in Juli en September 1944.De zwaarste bombardementen werden op 24 en 25 Juli en 13 September 1944 uitgevoerd. Het was afschuwelijk. Stuttgart stond in brand. Naar schatting verschenen er duizend bommenwerpers boven de stad. Vertelt Helsdingen.
Stuttgart werd weggevaagd. De krijgsgevangenen moesten helpen bij het zoeken naar overlevenden. Een schuilkelder voor vijfhonderd mensen werd aan de zijkant geraakt. Daarnaast liep ook de hoofd waterleiding. De muren begaven het en het water had vrij spel in de kelder. De mensen verdronken, stikten of werden vertrapt. In een schuilkelder troffen we een vrouwtje aan op een stoel met een breiwerkje op haar schoot. Dood door gebrek aan zuurstof als gevolg van de verzengende hitte. Maar we zijn nooit in paniek geraakt. We hadden wel misselijk makende angst. Doodsangst. Bij de nadering van de Engelsen en de Fransen werden de krijgsgevangenen met zijn tienen voor karren gespannen voor een mars van vier dagen naar Ludwigsburg. Op die karren lagen de ransels van de terugtrekkende Duitse soldaten. “Op 21 April 1945 om 16 uur werden wij in Stalag VA in Ludwigsburg met 30.000 krijgsgevangenen bevrijd door, naar ik later hoorde zeggen door vier soldaten van het Vrije Franse leger. Ik heb dit niet meegemaakt, ik zat in de poepbarak met buikloop.�Sterk vermagerd passeerde Helsdingen en zijn mede-krijgsgevangenen tenslotte in Mei 1945 in Limburg de Nederlandse grens.

De thuiskomst was na dit alles voor de krijgsgevangenen een geweldige teleurstelling. “We werden slecht opgevangen. Geen medische of andere zorg, “zegt Helsdingen. Hij moest naar Skegness in Engeland voor de voltooiing van zijn verdere opleiding. Na eindeloos exerceren werd hij overgeplaatst naar Hr.Ms. Tjerk Hiddes

 

                                                       

 

 

 

 

 

                                                                            

 

 

 

‘Iedereen mag weten hoe wij leven in deze vervloekte hel’

 

Zoals Helsdingen ( zie hiervoor) zelf al aangeeft, staat zijn verhaal niet op zich. In Lou de Jongs Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog worden de krijgsgevangenen waar Helsdingen toebehoorde omschreven als de “groep van 43�.
Een groep die zware beproevingen moest doorstaan.
Checkpoint ontdekte een authentiek verslag van een groep Maastrichtse krijgsgevangenen dat de ontberingen tot in details omschrijft. Als je niet mee kon komen, werd je geslagen met de kolf van een geweer.�

 

Door: Fred Lardenoye

Bron: Checkpoint April 2006

 

In de periode mei - augustus werden verschillende groepen Nederlandse militairen veelal via een verplichte melding in Amersfoort of Assen afgevoerd naar Duitsland. Het betrof beroepsofficieren en beroeps lager in rang, maar ook reserve officieren, reserve -onderofficieren en gewone dienstplichtigen. Deze “Groep van 1943� zoals ze in Lou de Jongs Koninkrijk Der Nederlanden in de tweede wereldoorlog worden genoemd, heeft het aanzienlijk zwaarder gehad dan andere groepen Nederlandse militairen die krijgsgevangen waren gemaakt door de Duitsers. En van deze Groep van ’43 hebben de militairen die zich in mei 1943 in Amersfoort moesten melden het het zwaarst gehad, zo concludeert de Jong. Ze werden tegen alle conventies in, onder dwang tewerk gesteld. De vaderlandse geschiedschrijver merkt in zijn levenswerk op dat er weinig gegevens zijn gevonden over de ontberingen van deze groep.

Wilhelmus

Des te opmerkelijker is een door checkpoint gevonden verslag dat zes maanden na vertrek is opgetekend en nauwkeurig de eerste maanden vanaf Amersfoort beschrijft. “Vaderlandse liederen werden gezongen in alle wagons. Langs het spoor van Amersfoort had zich een grote menigte verzameld. Deze juichte ons toe. Bij Oldenzaal maakten we het eerste luchtalarm mee. Onze bewakers kropen in de kelders en wij stonden daar in onze gesloten wagons. We hoorden de vliegtuigen over ons heen vliegen. Plotseling hoorden we een bom fluiten en op nog geen honderd meter afstand plofte ze neer. Onze wagon werd bijna uit de rails gesmeten, het liep gelukkig goed af, zo begint het verslag.

In deze door elf Maastrichtse krijgsgevangenen ondertekende brief, wordt het verhaal van Helsdingen tot in details bevestigd. “Eindelijk kwamen we aan op een onbekend station, het welk Altegrabau bleek te zijn. Er stond een grote militaire bewaking met bloedhonden en mitrailleurs�Het zingen, waar ook Helsdingen aan refereert, liet ook de schrijver van dit verslag niet onberoerd. `Toen de eerste gevangenen in het kamp binnenstapten, begon plotseling het transport dat voor ons was vertrokken het Wilhelmus te zingen. Nooit heeft me iets meer gegrepen dan dit ogenblik. Zeshonderd man zongen uit volle borst, terwijl 1800 man langs marcheerden.`

 

 

 

Door: Fred Lardenoye

Bron: Checkpoint April 2006

 

 



Fort Honger

 

 

 

 

Ook de groep Maastrichtenaren werd na enkele weken vanuit Altegrabow op transport gezet naar Straatsburg. “Dit is de vreselijkste reis, welke ik ooit in mijn leven heb meegemaakt. Zonder eten, zonder drinken op elkaar gepropt en bloedheet. De wagons waren zo gemeen vuil, dat we allen toen we er een half uur in zaten onder het vuil zaten(…) De dorst deed zich hoe langer hoe meer voelen; daarbij kwam die vuile stof. We hadden gewoon in één woord ellende�, aldus het verslag.

Maar deze ellende was niets, zo schrijft de Maastrichtse krijgsgevangene, vergeleken met de bestemming “Fort Honger�, waar de groep Nederlanders na een kilometerlange voettocht ( wij waren kapot en zonder weerstand�) arriveerde. De Maastrichtse krijgsgevangenenverhalen van het karige en slechte eten en het zware werk waar ze toe gedwongen werden na een barre voettocht van 10 kilometer die dagelijks om zes uur begon. “We hadden al een tijdje niet meer gelopen, dus waren we stijf en verzwakt van de honger. Het was werkelijk een kwelling. Als je niet mee kon komen werd je geslagen met de kolf van een geweer.�Vervolgens werden de krijgsgevangenen met vijftig man in een tramwagon geperst, die hoogstens plaats bood aan 28 mensen. “het was schandalig, we werden met pistolen erin gestuurd. Op het werk aangekomen kregen we schoppen, pikhouwelen en kruiwagens. Het was zwaar werk en je mocht niet rusten. De hele dag stonden ze tegen ons te ketteren. We moesten harder werken, anders werden we nog meer gestraft.

 

 

 

 

Brandnetels en paardebloemen

 

Volgens de Jong werden er circa duizend krijgsgevangenen gehuisvest in Fort Kronprinz , zoals de officiële benaming luidde. Over de bijnaam van het fort citeert De Jong een anonieme bron: “een onbeschrijfelijk vies ondergronds hol met natte muren, zwermen ratten en eten zo afschuwelijk dat het hier al spoedig Fort Honger wordt genoemd.� Ook het verslag van de Maastrichtse krijgsgevangenen spreekt boekdelen over de bijnaam. “We voelden ons ellendig, verbitterd en vol haat. De honger knaagde de hele dag aan onze maag(…) Als we ’s avonds om zeven uur in het fort aankwamen probeerden we enige aardappelschillen te stelen om deze te koken en op te eten en we deden er als groenten enige brandnetels en paardebloemen bij. Het was vies, toch was je blij om het knagende gevoel aan je maag te verlichten.

Al spoedig begon de voeding zich te wreken. We kwamen alle aan de diarree. Het laatste vezeltje vet werd uit je lichaam gehaald. Er waren al vele zieken, doch zij moesten toch werken.

De ontberingen in Fort Honger worden in het verslag tot in detail beschreven. Iedere dag kwamen er meer zieken. De zwaksten onder ons vielen gewoon neer om dan met hoge koorts op bed te worden gelegd. Honderden van ons leden aan ondervoeding. Je kon het gewoon op de gezichten lezen, van honger ingevallen gezichten, losse tanden, hole ogen. Wat we hier hebben moeten lijden in deze vervloekte hel, wat we ons moesten laten welgevallen met een stilzwijgen, is meer dan hemeltergend.

 

Stuttgart

 

Net als Helsdingen werden de Maastrichtse krijgsgevangenen na enige tijd weer op transport gezet naar het volgende kamp. In de Suttgarter Stadthalle leken de ergste ontberingen achter de rug: er was genoeg en beter voedsel, er kon gedouched worden en de eerste berichten uit Nederland kwamen. Maar, zoals ook Helsdingen beschrijft, de bombardementen van 7 en 8 oktober 1943 maakten daar weer een eind aan. “je kunt je voorstellen, waar 900 bedden staan is het vuur een welkome gast. Alles verbrandde. Ik had er een voorgevoel van, want toen we de schuilkelder ingingen, was ik niet op mijn gemak.� Net als Helsdingen waren de Maastrichtenaren in één klap van het weinige dat ze in gevangenschap hadden beroofd. “We zaten nu in de open lucht. Van slapen was geen sprake meer. Twee nachten hebben we zo gezeten en daarna zijn we in een school ondergebracht. ` Dat er veel doden zijn gevallen onder deze Nederlandse krijgsgevangenen staat vast, maar ook De Jong biedt daar geen exacte cijfers over. Uit het verslag van de Maastrichtenaren blijkt in elk geval dat er al in die eerste maanden slachtoffers vielen. Jammer dat twee van ons zo ziek werden dat ze van de gelden ontberingen er niet meer bovenop kwamen.Thans rusten zij in vrede. Eén van ons kreeg tijdens een bomaanval een treffen vlak voor zijn voeten. Ook hij zal nimmer meer terugkeren. Het verslag eindigt na een maand of zes. Maar één ding, daar ben ik trots op, dat ze ons niet eronder hebben gekregen. Dat blijk hebben we gegeven van onze liefde voor het vaderland en al degenen die we hebben achtergelaten. Iedereen mag weten hoe we leven in deze vervloekte hel)…) De moed laten we nooit zinken. Vaarwel dierbaren in het vaderland. Kop op, wij komen terug, kost wat het kost. Al duurt het nog zo lang, wij zullen het geloof in onze bevrijding nooit verliezen!`.