Anton | presentaties | Nieuwe pagina | artisten | Oude platen no 4 | Nieuwe pagina | Brieven | Gedichten | Artikelen | Boerderijen | Foto's | Mp3 nummers | Krijgsgevangene 1943 - 1945 | Krijgsgevangene 2 | Krijgsgevangenen 3 | Krijgsgevangene 4 | Garnalen vissen | linken | Titels cd nummers | Vacantie reizen

         

 

 

Toelichting

 

In een  uitzending van de KRO in Sept.1984 "adres onbekend"deed Theo van Tienen een oproep aan de Krijgsgevangenen die in het arbeids commando bij Seidel en Naumann geweest waren. Ik heb daar op gereageerd en Klaas Molenaar en ik zijn toen bij Theo op bezoek geweest. Daar waren ook Brouwer en Bulder. We hebben een gezellige dag gehad en verhalen uitgewisseld. Van Theo kreeg ik het verslag wat hij er van gemaakt had. Ik ben zijn adres kwijt maar hij zal het vast goed vinden als ik zijn verslag  hier vermeld.

Het verslag van die uitzending heb ik op een cassettebandje en op CD. Er worden veel namen in genoemd.

Theo

 

 

Soldaat, Onderduiker, Krijgsgevangene... Bevrijding
__________________

 

 1938  -  1945

Arrestatie  Amersfoort  Treinreis  Eerste barak  Fabriek  August  Gevlucht  Bewakers

Meisjes  Bombardement  Daarna  Puin ruimen  Vertrek  Zwerven  Wandelen
Doden kelders  Russen  De tocht  Taal  Nederland  Later

 

 

Trouwens , hij naderde mij van achteren zodat de verrassing compleet was, en zo een held ben ik nou ook weer niet. Opgepakt, verhoord op het plaatselijke politie bureau, en getransporteerd naar een politiecel in Eindhoven, was in een dag gebeurd. Ik kwam daar in een cel met een andere Nederlander die mij vertelde dat hij zijn radio niet had ingeleverd. Hij was verraden en zat in afwachting van zijn vonnis. Na twee dagen werd hij uit de cel gehaald en zat ik alleen. Jammer, want een dag duurt lang in een cel, en met wat aanspraak heb je dat niet zo in de gaten.

Gelukkig werden we op geregelde tijden gelucht en kreeg ik daarnaast een baantje als gangenwacht. Dit bestond uit het brengen van water aan de celbewoners en het dagelijks schoonhouden van de cellen gang. Ik had daardoor tenminste wat meer bewegings ruimte, want een cel is maar twee meter lang en daarin ben je gauw uit gewandeld.

Het juiste aantal dagen dat ik in de cel verbleef weet ik nu niet meer, maar meer dan twee weken is het zeker niet geweest. Alvorens ik op transport gesteld werd naar Amersfoort, werd ik verhoord door de Sicherheits Dienst ( S.D.). De afkorting alleen al bezorgde menig mens de rillingen. Mijn geval was natuurlijk bekend, en het verhoor was dan ook voornamelijk om na te gaan of ik enige verzetsactiviteit aan de dag had gelegd. Nou, zover was ik nog niet gekomen, ik kon dus het verhoor met een gerust hart tegemoet zien.

Toen ik daar hoorde dat ik op transport gesteld zou worden naar het kamp in Amersfoort, sloeg de schrik mij om het hart. Ik dacht niet zo gauw aan het opvangkamp waar de landmacht zich moest melden , maar in het bijzonder aan het concentratiekamp wat ook in Amersfoort was.

Van de mij begeleidende agent hoorde ik echter tot mijn opluchting dat ik naar het ““goede “ kamp ging. Toen we op stap gingen , kon ik kiezen tussen de handboeien aan , of een stok in mijn broek. De stok was voorzien van twee riemen. Een ruime die om het middel paste, en een kleinere die om de enkel werd vastgemaakt. De stok werd dan in èèn van de broekspijpen gedaan , zodat je met een stijf been liep om het vluchten te voorkomen.

Ik koos voor de stok omdat dat je handen tenminste de vrijheid gaf. Ondanks dat kreeg ik bovendien toch de handboeien aangelegd, die pas werden afgedaan toen de trein in beweging kwam. In de trein, gezeten tussen normale reizigers , viel het de mensen natuurlijk niet op dat ik onder politie geleide was. Na enige aarzeling vroeg een oud dametje mij waarvoor ik was opgepakt. Toen ik haar ronduit vertelde dat mijn enige “misdaad “ bestond uit onderduiken , gaf ze mij spontaan enige etenswaar. Dit voorbeeld werd gevolgd door andere reizigers. De èèn gaf mij wat sigaretten, de ander wat tabak, weer een ander had wat fruit over. Het zal toch niet zo een leuke ervaring geweest zijn voor de mij begeleidende agent. Bij het begin van het transport had hij gezegd dat hij persoonlijk voor mij verantwoordelijk werd gesteld. Het was in die dagen nog niet zover dat men onderweg eenvoudig een gevangene “verloor “en dan zelf onderdook.

De dagen in het Amersfoortse kamp verliepen eentonig. Er was weinig vertier omdat het een doorgangskamp was waaruit geregeld transporten werden samen gesteld. Afhankelijk van het aangevoerde aantal mensen, duurde het langer of korter alvorens de “trein “vol was.

Mensen met een “werkverklaring “d.w.z. die werkten in Nederland al direct of indirect voor de Duitsers, mochten weer naar huis na het melden. Gelukkig trof ik er zo èèn die uit Haarlem afkomstig bleek te zijn . Ik gaf een kort briefje mee voor mijn ouders dat ik opgepakt was en in Amersfoort zat.

Hierdoor was het mogelijk dat de hele familie het te horen kreeg , hetgeen me de nodige pakjes levensmiddelen opleverde die mij later goed van pas kwamen. Hoe dan ook , mijn ouders bleken op de hoogte te zijn van de dag van vertrek. Toen we in lange rijen naar de trein marcheerden , stonden zij bij vreemde mensen achter de ramen naar me te zwaaien. Mijn vader riep mij nog wat na uit het geopende raam, wat ik door de grote afstand niet verstond. Hij bracht eigenlijk de mensen, die hem uit medelijden even hadden binnen gelaten om voor het laatst zijn zoon te zien, nog in verlegenheid , want langs de route moesten alle ramen gesloten blijven , anders zou er geschoten worden.!!

 

 

 
                     

top         

               Tot ziens

                                                                                                                                                                        

                                                                  

                                                                          

 

                                                          

 

 

 

 

                                                                                                   Amersfoort

                                

 

 

 

 

Nu liep dit dreigement wel niet zo een vaart, maar toch werd er een geweer even dreigend op dat bewuste raam gericht..

In gesloten veewagens ging het naar het onbekende. Gedurende de treinreis bleven de deuren hermetisch gesloten, en tijdens de tocht die ruim twee dagen duurde, was er alleen een kort oponthoud in Leipzig waar door het Duitse rode kruis een beker soep werd uitgedeeld. De “poepton “stond in de hoek , maar we spraken meteen al af dat gebruik alleen in de uiterste noodzaak zou plaatsvinden. Afwateren was niet zo moeilijk, dat gebeurde tijdens het rijden bij de kier van de schuifdeur. Mühlberg aan de Elbe, ons voorlopig eind station, lag te blakeren in de hete zomerzon toen de trein voor zoveelste maal knarsend tot stilstand kwam. Nu gingen echter de deuren openen werd er geschreeuwd dat iedereen snel moest uitstappen. Bij de Duitsers moest altijd alles wat een krijgsgevangene moest doen , snel gebeuren.

Veel geschreeuw dus van snel, snel uitstappen, bagage opnemen en voorwaarts mars. In de verte een groot aantal grauwe barakken op een kale vlakte, zonder enige begroeiing in de wijde omtrek, zinderend in de hete zomerzon. Onze eerste aanblik van wat later bleek STALAG VI-B te zijn. Eèn van de vele krijgsgevangenen kampen die over heel Duitsland verspreid lagen.

Terwijl de stoet zich onder veel geschreeuw van de bewakers voort zeulde, waren we toch min of meer benieuwd wat ons te wachten zou staan. Geen idee van de aard van het kamp hebbend , meenden we dat we Russen zagen aan de andere kant. Nieuwsgierig werden wij op afstand aangegaapt door kaalhoofdige, niet goed geschoren, en in slobberige uniformen van onbekende herkomst gestoken, gevangenen. Toen we dicht genoeg genaderd waren om ze te verstaan , bleken het Nederlanders te zijn. Vragen genoeg, die over en weer werden geschreeuwd . Haastig riepen wij de laatste nieuwtjes.

We mochten natuurlijk niet zo maar meteen in het kamp, want we zouden wel eens ongedierte bij ons kunnen hebben, en dat zou het “schone “ kamp maar besmetten. Daarom eerst in quarantaine voor een dag en een nacht. We zouden de volgende dag ontluisd worden. Dit was na een verblijf in die barak dan ook wel nodig, want bij het slapen gaan bleken de matrassen , of wat daarvoor door ging, overdekt te zijn met ontelbare aantallen vlooien, en de luizen zullen niet ver weg geweest zijn.

De ontluizing de volgende dag ging als volgt te werk. In een grote kale hal moesten we ons van alle kleding ontdoen, waarna die aan grote rekken de gaskamer in ging. Ondertussen moesten we ons in rijen opstellen om de nodige prikken te krijgen. Vervolgens werden de hoofden kaal geschoren, en de oksels en schaamharen ingesmeerd met een bruin stinkend en bijtend vocht ter ontsmetting. Ondertussen duurde het wat, voordat de kleding uit de gaskamer kwam, en wij stonden daar maar. je kon niet eens je handen in je zakken steken, en dat is voor een Hollander erg lastig.

Nadat we de uitgegaste kleding hadden terug gekregen , en ons ter plekke hadden aangekleed, kon de intocht in het kamp beginnen. Eerst werden we natuurlijk weer eens geteld, een gebeurtenis die altijd op onze lachspieren werkte zolang we in Duitsland waren. Het getal was bij de Duitsers heilig, en moest natuurlijk altijd kloppen, want de leiding was persoonlijk verantwoordelijk voor het juiste aantal. Als er b.v. iemand ontvlucht was, dan zwaaide er wat voor de desbetreffende persoon.. Dit hebben we later in het kamp in Dresden ondervonden. Door die zwaar drukkende verantwoordelijkheid, waren de Duitsers doodsbenauwd, en in hun zenuwachtigheid telden ze natuurlijk altijd verkeerd.

Dat tellen gebeurde als volgt; Er liep of liepen meerdere bewakers voor en achter het gelid zachtjes te tellen. Aan het eind van de rij bleek het aantal niet te kloppen. Dan werd het hele circus opnieuw opgevoerd met dit verschil dat er nu hardop geteld werd, maar ook dan klopte het dikwijls niet. Dat ging soms tot driemaal toe, en wij maar grinniken. Ook haalden we soms het geintje uit om voetje voor voetje, wat te verschuiven. De rijen stonden dan niet kaarsrecht achter elkaar, en dit was de verwarring ten top natuurlijk.

Bij de overdracht van de trein bewakers, aan de leiding van het kamp, werden we dus weer geteld. Telling, inschrijving en nummering nam nog al wat tijd in beslag. Mijn persoonsnummer was 97690. Een nummer dat ik ettelijke malen bij controle heb moeten opzeggen, en dat zo vast in mijn geheugen is gegrift , dat ik het nooit zal vergeten, ook al zou ik honderd jaar worden

 

     
 

 

 

                                                               Arbeids commando barak                                           top

 

 

                                                           Treinreis

 

 

 

                                                          Parade in Muhlberg

 

top                                                        

  

 

In de ons aangewezen barak , werden we meteen omzwermd door landgenoten die natuurlijk benieuwd waren naar de toestand in Holland. Maar later bleek dat de meeste belangstelling uitging naar de inhoud van onze koffers. De meesten van ons waren ruim voorzien van eetbare waar uit Holland, en gaven dan ook links en recht het een en ander te eten. We wisten toen natuurlijk niet dat het rantsoen in het kamp te weinig was om te leven , en teveel om te sterven. Wie het uit ervaring wist, hield wijselijk zijn mond dicht. De volgende dag ondervonden we het aan den lijve. Het dag rantsoen bestond uit twee sneden zuur brood met waterige koffie als ontbijt. Voor het middagmaal , of liever gezegd avondmaal kregen we vijf rotte aardappels in de schil gekookt met als voorgerecht wat waterige soep, of in een soort stijfsel gekookt “vogeltjeszaad “ zoals wij dat noemden.

Als niet eetbaar , werd het door ons uit Holland meegebrachte brood terzijde geschoven omdat het beschimmeld was, maar dat werd nog gretig gegeten door anderen die al langer in het kamp verbleven. Wij vonden dat vies, maar later heb ik nog wel eten dat veel verdachter van kwaliteit was , met smaak opgegeten.

In het kamp was geen enkele mogelijkheid tot recreatie. Je kon niets anders doen dan in de hete zon liggen bakken, maar in zulke omstandigheden gaat dat ook gauw vervelen. Na een week was je uitgekeken, had je kennis gemaakt met diverse nationaliteiten, zoals Serven, Kroaten, Polen , Fransen en Belgen. Er waren later ook nog verscheidene Deense politie mensen die waarschijnlijk verzet hadden gepleegd en zo in krijgsgevangenschap terecht waren gekomen, ofschoon ze in werkelijke zin geen militairen waren. De Engelse gevangenen, en degenen die in het Engelse leger gevochten hadden zoals Zuid Afrikanen, waren streng gescheiden van de andere gevangenen. Er was een corridor tussen de twee kampen, maar die was niet zo breed dat die niet overschreeuwd kon worden. Er ontstond dan ook een levendige conversatie over en weer, die voornamelijk tot doel had het handelen in allerlei dingen. De Engelsen zaten goed in hun sigaretten, en hadden dus uitstekend ruil materiaal. Messen hadden hun voornaamste belangstelling. Eerst werd er onderhandeld over de prijs, nadat het ruilmes aan onze kant getoond was. Daarna werd het een zaak van vertrouwen aan beide kanten, want het werd niet gelijk oversteken, maar gelijk overgooien. Maakte de een een beweging van gooien , dan ging de ander uit een reflex beweging daar op in , en was èèn van de partijen de sigaar. Het gebeurde ook wel eens dat het ruilobject in de corridor viel. De buit was dan voor de Duitse wacht, die zich altijd tussen de corridor bevond.

Na enige weken verveling , kwam er verandering in het kamp. Je kon je vrijwillig melden voor èèn of ander “arbeitscommando “ . Weinigen trapten daar in. Het werd dus een zaak van gewoon aanwijzen, hetgeen dan ook volgde. Op een zekere morgen was ook onze barak aan de beurt, en na het gebruikelijke tellen , werd onze groep apart gehouden. Er werden diverse beroepen genoemd, waarna gevraagd werd wie dat beroep uit oefende. Er ontstond aldus een groep van ongeveer honderd man met de uiteen lopenste beroepen. Sommigen hadden ja geroepen op een beroep dat ze helemaal niet kenden , maar wat hun wel wat leek. Na de zogenaamde selectie, kregen we te horen dat we zouden worden ingezet in een bedrijf in Dresden. Ze vertelden niet wat voor een bedrijf het was. Later bleek dat het een bedrijf was wat in normale tijden naaimachines en schrijfmachines maakte, SEIDEL en NAUMANN in de Hamburgerstrasse. Nu, in oorlogstijd werd er hoofdzakelijk voor het leger gewerkt. De bedrijfsleider had ons in Mulhberg afgehaald, en begon na aankomst in de fabriek ons toe te spreken. Het kwam er op neer dat onze volken verwant waren aan elkaar, en dat we elkaar zouden begrijpen. Ze verwachten van ons dan ook alle medewerking. De ware Duitse aard kwam spoedig boven. Op een vraag van onze woordvoerder of we eerst konden eten alvorens aan het werk te gaan, we waren zonder eten het kamp uitgestuurd, stond hij raar te kijken. Dat had hij nog nooit meegemaakt. Wie niet werkt zal ook niet eten, was zijn wederwoord. We begonnen te mopperen, zeg maar kankeren, en al verstond hij het niet, begrijpen deed hij onze houding wel. Ineens bleek er van zijn begripvolle houding niets meer over te zijn. Een scheld tirade volgde. Eten zou pas worden verstrekt aan de hand van geleverde prestaties, en aangezien we pas de volgende morgen zouden gaan werken , gingen we die avond met een lege maag naar bed.

 

 

 

 

 

 

 

                                                                         Eerste Barak

 

 top

 

Kamp

 

 

De volgende morgen ging het in het gelid en rondom door bewakers omgeven , voor het eerst naar de fabriek. We werden ingedeeld voor diverse afdelingen van de fabriek. Aan het eind van de werkdag werden er diverse protesten gehoord over het werk dat men had moeten doen. Direct of indirect, was iedereen werkzaam geweest voor de Duitse oorlogsindustrie, en dat was volgens de Conventies van Genève verboden werk voor krijgsgevangenen. Maar ja , die bepalingen waren misschien al jaren oud, toen de oorlog nog niet zo een totaal begrip had als dat die nu door de Duitsers gevoerd werd.

Het bleek dat er wel andere dingen gemaakt werden dan onschuldige schrijfmachines en naaimachines. Zo werkten er een paar op een afdeling waar granaathulzen gemaakt werden. Anderen moesten machinegeweer onderdelen in elkaar zetten. Weer anderen maakten geweerlopen. Ikzelf werkte op een afdeling waar vizierkleppen voor geweren werden gemaakt.

Onze inmiddels gekozen vertrouwensman protesteerde heftig tegen deze schending van onze rechten, maar onze kampcommandant lachte ons letterlijk uit en zei dat dit een reeds lang achterhaalde zaak voor hun was. Omdat protesteren dus weinig uithaalde, besloten we om dan maar zoveel mogelijk te gaan saboteren. Natuurlijk niet openlijk, maar heel voorzichtig en langs de weg van geleidelijkheid. Er zouden ons genoeg manieren overblijven, zoals later zou blijken.

Je kon natuurlijk al beginnen met te doen of je de taal niet verstond. En dat was voor de meesten van ons niet eens bezijden de waarheid, want wie kwam er voor de oorlog over de landsgrenzen, en daarbij was de kennis van vreemde talen ook nog niet zo verbreid als later. We hadden natuurlijk het feit van de taalverwantschap tegen, iets wat de Duitsers zouden uitbuiten. De Frans sprekende gevangenen hadden meer succes, en verstonden dan ook zogenaamd niets, ook al waren velen al vanaf 1940/41 in gevangenschap.

Toen ik dan op genoemde afdeling te werk gesteld werd, hield ik me vanaf het begin van de domme en verstond niets. Toen er echter na een zekere inwerktijd van mij verlangd werd om dezelfde produktie te halen als mijn Belgische maat aan de machine, had de chef al lang op slinkse wijze getest dat mijn kennis van het Duits meer was dan ik voor gaf. Ik gooide het daarom over een andere boeg en demonstreerde een grote onhandigheid en nog waar ook, want tenslotte was ik geen metaalarbeider. Het werk was echter zo eenvoudig, dat lang toneel spelen ook in de gaten liep.

Uiteindelijk bleef ik dan ook maar saboteren door zo langzaam mogelijk te werken. Dikwijls naar het toilet te gaan enz. De produktie leed er natuurlijk onder , maar wat kon mij dat schelen. Het was juist de bedoeling. Menigmaal lag ik overhoop met de chef, die op zich niet zo kwaad was, maar de angst voor het aantal deed hem van tactiek veranderen. De vrije Zaterdagmiddag, ja zelfs de Zondag werden voorbestemd om aan mijn aantal te komen. Toen ook dat niet hielp , moest ik met de chef naar de bedrijfsleider. Imposant kantoor, groot bureau, dikke Duitser die meteen begon te blaffen. Ik liet het langs mijn koude kleren gaan, maar dat maakte hem juist woedend. Hij zou me wel leren Duits te denken, want wij Hollanders waren besmet door het Engels denken, zei hij. Hij zou het nog een keer met mij proberen , maar dat had weinig succes. Als straf werd ik overgeplaatst naar de afdeling die de zware transporten verzorgde. Daar zouden ze me wel aanpakken, en zou ik leren wat werken was. Nou, als ik ergens een makkie heb gehad, dan was het daar wel. De chef was een grote reus van naar schatting 1 meter 90 , en alles aan hem was breed en massaal. Hij had een grote Hindenburgsnor en kon vervaarlijk met zijn ogen rollen, zodat het leek of hij erg kwaad was, maar in werkelijkheid was het een goeie lobbes. Hij gaf de indruk dat al die Nazi praktijken en ideeën hem goed dwars zaten, maar hij mocht dat natuurlijk niet laten merken.

Op deze afdeling waar meerdere Hollanders werkten, hadden we nog meer gelegenheid om de boel te saboteren. Een machine een dag later plaatsen, scheelde toch weer in de produktie. Allerlei moeilijkheden konden zich voordoen bij het transport, die wij natuurlijk zelf veroorzaakten. En hier bedienden we ons juist zo goed mogelijk van de Duitse taal, om die moeilijkheden aan de chef uit te leggen. Hierdoor hadden wij spoedig wat voor op de Franse gevangenen, die zich nog steeds van de domme hielden.

 

 

 

                                                                      Fabriek

 

top                                                            

Rode driehoek op kleding schilderen     top

                                                                    

 

 

                                                                               August

Maar als ons iets niet zinde , konden we dat uitleggen naar onze manier, en de chef bleek flexibel genoeg om, als dat mogelijk was, daarmee rekening te houden. Hij zorgde natuurlijk wel dat hij zelf gedekt was.

Onze voorman heette August en leek behalve zijn naam echt op een domme August die zo uit het circus was weggelopen. Wel een goeie vent, maar doodsbenauwd voor ieder die maar iets boven hem stond. Echt het type Duits kanonnen vlees dat kenmerkend voor de toenmalige doorsnee Duitser gold. Hij was dan ook altijd stom verwonderd dat wij zoveel durfden, en vrij en brutaal met iedereen omgingen.

De dommekracht van de ploeg heette Otto. Die werkte als een paard met het verstand van een ezel. Dit edele tweetal bepaalde in hoofdzaak de stemming in de ploeg. En we hebben ook heel wat af gelachen met die twee. Door een bepaald voorval stegen wij hoog in achting bij onze chef, en konden daarna nog weinig kwaad doen in zijn ogen.

Elke week moest het afval van de machines in een wagon geladen worden. Dit afval bestond uit slijpsel, vijlsel, draaisel, staalkrullen enz. Dit werd in een grote betonnen kuil gereden, en moest dan vanuit die lage kuil eerst op de begane grond omhoog gewerkt worden met handkracht. De volgende man wierp het op een houten platform wat weer halverwege de straat en de bodem van de wagon was opgesteld. Dus in twee etappes kwam dat spul in de wagon. De krullen waren lastig op te scheppen , en werden daarom met een grote mestvork bewerkt, maar ook dan ging het moeizaam. Zolang de wagen niet vol genoeg was , ging het door de open deuren, en was het nog wel te doen. Maar daarna ging het erg moeilijk. En dat alles terwijl er notabene een kraan met een grote elektromagneet boven de stortkuil hing. Als dit ding zou werken zou het een kwestie zijn van de magneet boven de kuil laten zakken , de spanning inschakelen, en hup een grote hap boven de wagon rijden, uitschakelen , enz. ,enz. Onze Franse vrienden , die dit werk al jaren deden, vonden het niet de moeite de kraan te laten repareren, je kon zo beter saboteren dachten ze. Maar wij dachten er anders over, en vroegen aan een Hollandse collega, die elektricien was, het ding eens na te zien. Na enig prutsen was de zaak geklaard. Wij naar de chef, die demonstreerde even, en we werden bevoegd om als kraandrijver te werken. Wij waren natuurlijk de gevierden bij de chef, en hij maakte een goeie beurt bij zijn meerderen.

Vanaf die dag was het werk voortaan een makkie, en ondanks de technische vooruitgang kwamen de wagens toch bijna niet vlugger vol dan anders. Als het laden toch te vlug ging, lieten we August zoeken naar de Hollander die het weer maken moest. Maar omdat die ook weer door de hele fabriek kon zwerven, duurde het nogal. Zo hadden we weer een geldig excuus voor dit oponthoud.

Mijn collega kraandrijver, Piet Sprenger, was een echte droogkomiek. Als beroep had hij destijds opgegeven dat hij toneel speler was. Ik heb nooit geweten of dit echt zo was. In ieder geval had hij er wel aanleg voor. We kenden al een mondje Frans, en op een keer vroeg een Fransman wat “nog een beetje verder was “ in het Hollands was. We moesten de wagon altijd met handkracht op en van het fabrieksterrein duwen, en de Fransen gaven altijd het commando. Piet zei met een stalen gezicht: “ Een beetje hoepeldepoep “. Vanaf die dag riepen de Fransen : “ Allez Piet, encore un peut hoepeldepoep “.

Maanden verliepen zonder al teveel schokkende gebeurtenissen. De oorlog verliep veel te traag naar onze zin. Maar daar kwam verandering in door een poging van èèn van ons.

We waren gelegerd op een oude fabriekszolder, welke weer uitzicht gaf op een kerkhof. Triester kon het al haast niet. Op een morgen werd er zoals gewoonlijk geteld voordat we naar de fabriek gingen. Er ontbrak èèn man aan de telling. Wij hadden hem natuurlijk al gemist met het eten, want iedere tafel had zijn vaste bezetting. De bewaking in rep en roer natuurlijk. Schreeuwen, dreigen dat we er van zouden lusten als we niet vertelden wie de ontvluchter had geholpen. Het hielp echter allemaal niets, want in het diepste geheim was alles gegaan, en niemand, maar dan ook niemand van de groep wist er iets van. Zoals later bleek had hij van iemand uit de fabriek burger kleding gekregen, en was langs de regenpijp op een stormachtige nacht verdwenen.

 

Dat zou bijna geslaagd zijn geweest , als de man in Nederland maar naar goede raad had geluisterd. Hij was al in Arnhem bij familie en moest naar leiden. De familie raadde hem af per trein te gaan omdat hij geen geldige papieren bezat. Tegen alle adviezen in, ging hij toch met de trein en viel bij de eerste de beste controle door de mand.

Na een paar weken celstraf kwam hij weer in ons commando terug. Sterk vermagerd en weer kaal geschoren. Wij hadden intussen al weer wat haar gefokt. De rode driehoek op onze kleding was het teken voor alle krijgsgevangenen. Het stond op de broek onder de knie en op de rug van tuniek en overjas. Zo had epke groep buitenlandse slavenarbeiders iets anders als merk teken. De Russen hadden een blauw embleem met daarop het woord “ Ost Arbeiter

Het incident van de ontvluchting had voor ons toch weer zijn goede kant. We verhuisden naar een houten barak recht tegenover de fabriek. Wel een kaal terrein tussen woon en was-barak , maar tenminste vrij in de open lucht.. En op genoemde fabriekszolder kwamen we nooit buiten.

Naast de barakken lag een vuilnisbelt van de fabriek, waaruit we in de rotste tijd de bruikbare groente-afval sorteerden als een welkome aanvulling op ons karige rantsoen. We kookten alles heel lang door, en meenden daardoor eventuele besmetting door de ratten kwijt te raken. Ook sigaretten peukjes werden geraapt. Onze overburen , de Belgen, kregen volop Amerikaanse paketten en waren erg scheutig met de peuken. Op de kachel gedroogd, draaiden wij daarna er weer “heerlijke “ sigaretten van.

Bewakers

Doordat wij Franse uniformen droegen , dachten de Fransen natuurlijk dat we landgenoten waren. In het begin stonden we met de mond vol tanden , maar via de kennis van het Frans in de groep , of via de Duitse taal, die toch wel door een enkele Fransman beheerst werd, kwamen we een beetje op dreef. Dat uniform was overigens een prachtige bergplaats voor allerlei zaken die het daglicht niet konden verdragen. De broek leek veel op de vooroorlogse “Pofbroek “. Door er dubbele zakken in te maken, en èèn zak aan iedere kant open te laten , konden we de pijpen lekeer volladen met allerlei gejat spul. De broekspijpen van onderen goed dicht gebonden natuurlijk. De gekste combinaties hebben daar bij elkaar gezeten. Wat maar te jatten was aan eetbare waar , verdween in de pofbroek. Soms konden we haast niet lopen en leek het meer op het lopen met een volle broek.

Eerder genoemde Piet en ik , kregen ook de aanvoer van de fabriekskeuken te verzorgen. Dat wil zeggen Gekke Maria “ een oud Duits wijfie had de sleutels van de proviand kelder en zolder. Boven lagen grutterswaren en meel. In de kelder : appelen, aardappelen, groente , uien enz. Elke dag verdween er dus wel wat in de broek. Meel en grutterswaren wisten we in het begin niet te jatten, tot dat iemand ons leerde hoe dat te doen. Een schuin afgezaagde buis er in steken , wat in je zak laten lopen, en dan met een ruk de buis er uit trekken , waardoor de zak door de zwaarte zich sloot. En Maria maar koekeloeren met haar schele ogen. Altijd in zichzelf pratend en af en toe zich schielijk omdraaiend roepende dat ze toch wel wist dat we jatten.Als ze pissen moest ging ze boven een afvoerputje in de kelder zitten. Met verontschuldiging zei ze dan dat ze heel erg nodig moest. Ze riep dan ook nog dat we niet mochten kijken.� Ja, Maria is niet gek “, zei ze maar steeds , en wees dan op haar hoofd.

Het jatten vonden we niet meer dan een staaltje van onze plicht , want op de zakken meel en grutterswaren stonden de namen van Nederlandse fabrieken, en we wisten dat het met wagonladingen uit Holland gestolen was. Het rantsoen dat we in de barak kregen, was niet al te veel, en week weinig af van het kamprantsoen in Mülhberg, terwijl we nu verondersteld werden te werken.

Er was nog wel eens een verwisseling van kampcommandant , wat met zich meebracht dat bij iedere verwisseling het regiem strenger werd. Naarmate de commandant dan weer langer in functie was, wilde dat wel verslappen.

 

We hadden trouwens steeds kneusjes die afgekeurd waren voor de frontdienst, of al een of andere verwonding hadden op gelopen. Op een gegeven dag had er weer een verwisseling van commando plaats. We waren erg gespannen wat het nu weer zou zijn. Een toen bleek dat het een echte partijman was, dachten we in de aap gelogeerd te zijn. Toch had deze commandant gelukkig zij goeie zijde en dat was opkomen voor recht. Aan hem was het te danken dat we op een gegeven dag per man een heel brood van 2 kilo, een pakje margarine en ruim broodbeleg kregen. Ook werden de warme maaltijden smakelijker en van een beter gehalte.

Wat bleek nu ? Eèn of andere duistere figuur in de leiding van de fabrieks keuken, had maanden lang de rechtmatige rantsoenen te klein gehouden, en het gewin in eigen zak gestoken of met anderen gedeeld. De hele zaak bleef eigenlijk buiten onze waarneming, maar wij profiteerden een paar weken van dubbele rantsoenen totdat de achterstand ingehaald was.

Toch heeft het hele commando eens een keer goed staan te trillen op de benen. Op een morgen was iemand niet opgestaan toen hij gewekt was. Of wij hem nu waarschuwden of niet, hij kwam zijn bed niet uit, en twee maal roepen was er niet bij. Ook voor het eten kwam hij niet aan tafel, en toen dan het moment van tellen kwam en af marcheren naar de fabriek, zag de commandant dat er èèn ontbrak. Onze eigen commandant , die hadden we ook, meldde dat hij ziek was. “Wat ziek, niks ziek “ riep de Duitser en stormde naar het bed. Hij beval dat de man moest opstaan, maar die zei dat hij niet lopen kon. Nou, dat wou die Duitser dan wel eens zien. Dat ging zo nog even door, tot dat het de Duitser begon te vervelen, en rood aanlopend beval hij de man te gaan staan na hem uit het bed te hebben gesleurd. Die liet zich echter meteen vallen, maar de truck was doorzien, en gelijk trok de Duitser zijn revolver en zou de man ter plaatse hebben neergeknald , als niet èèn van zijn collega’s hem ervan had weerhouden. Je trok uiteindelijk toch aan het kortste eind, en dat heeft de man goed geweten.

Als er pakjes van thuis kwamen , zaten er meestal goede spullen in die in Duitsland schaars begonnen te worden. Het was al enige jaren oorlog tenslotte. In de wacht moest je het pakje gaan halen en sommige wachtposten waren zo kinderachtig om alles door elkaar te schudden. je moest dan de erwten, bonen en rijst gaan uitzoeken. Het was zogenaamd om na te gaan of er geen verboden waar in de pakjes zat. Later wijzer geworden kwam je vanzelf al met diverse schaaltjes aanzetten als er weer een pakje was. .

Zo langzamerhand leerde je onderscheid te maken tussen Duitsers en Duitsers. Er waren er echt wel die ons durfden toevertrouwen hoe ze over Hitler en de oorlog dachten. Er zat wel degelijk risico in voor deze mensen. Zo bleek ons dat er , ondanks het gemoraliseer van de partijleiding toch een zwarte markt bestond, waar voor veel geld van alles te koop was. Toen we dan ook voor de eerste maal een Amerikaans pakket kregen, in het geheel kregen we er maar twee in al die tijd , werden we voorzichtig benaderd om koffie te ruilen voor brood. Eèn blikje poeder koffie stond tegenover 4 grote broden van 2 kilo. Mijn potje koffie was in de kortste keren in Duitse handen over gegaan. Betere ruil was er niet vond ik. Voor zoveel brood kreeg ik natuurlijk geen margarine of belegging, maar dat deerde niet. Van onze kant was die handel riskant, want vier broden ineens kon natuurlijk niet, en je was afhankelijk van de eerlijkheid van de Duitsers.

Inmiddels had ik een andere functie gekregen. Bijrijder op een vrachtwagen. Het was leuk werk, want vroeg in de morgen gingen we laden, en we moesten dat ruwe materiaal wegbrengen naar kleinere werkplaatsjes in de wijde omgeving. Omdat er al eens een kleine bomaanval op Dresden was geweest hadden de Duitsers de fabriek min of meer gedecentraliseerd. Als er dan eens een grote aanval zou plaats hebben , dan kon er toch geproduceerd worden.

 

 

                                                           

Gymnastiek in Muhlberg   top

                                         

                  

 

 

top                                                            Meisjes

 

 

Ik kreeg zodoende een goede indruk van het prachtige Saksische landschap. Meestal kwamen we pas tegen het eind van de werkdag terug, en altijd was het weer een mooi gezicht Dresden te naderen vanuit het gebergte, want Dresden lag in een dal. Toen later de aanvallen toenamen, hadden wij het voordeel, weg te zijn uit de stad, want op het platteland was het veilig. Toch maakten we kort daarna een bombardement op de fabriek mee. Het was op een Zaterdag tegen het eind van de werktijd. Iedereen stond klaar om weg te gaan. Er werd natuurlijk flink gemopperd door de Duitsers, want daar ging kostbare vrije tijd voor hun verloren in de schuilkelder. Dit was een groot woord, want die kelder bestond uit een soort rioolbuis van mans hoogte en lag niet erg diep onder de straat hoogte. Een fanatieke Duitse partij man, schreeuwde tegen ons dat we allemaal achterin moesten gaan zitten, Fransen, Belgen, Russinnen en Nederlanders bij elkaar. En zo hoorde het ook. Het uitschot bij elkaar tenslotte. De Russische meisjes, meest uit de Oekraïne, mochten er best zijn. En zingen dat ze konden.... Een Nederlander begon op een accordeon, gekregen van het RODE KRUIS , een beetje de wijsjes te spelen die hij van de Russinnen had gehoord. En al gauw vielen deze in met hun meerstemmig gezang. De anderen vielen in, en al gauw klonk het ene wijsje na het andere. De èèn droefgeestig, de andere weer uitbundig van melodie.

Middenin zo een vrolijk liedje , werd de tussendeur open gesmeten, en stond dezelfde fanatieke Duitse partijman te schreeuwen dat we onze bekken dicht moesten houden, het was tenslotte oorlog. Het was eigenaardig maar ons deerde het luchtalarm niet zo. Het was een afleiding in het monotone leven van alledag. Aan mogelijk gevaar dachten we toen nog niet.

Ik was begonnen een boek te lezen omdat het alarm nog al lang duurde. Toen kwam de aanval, en voordat we het ons goed konden indenken, viel er een voltreffer bovenop de schuilkelder. Iedereen en alles werd door elkaar gesmeten. Deuren van dik staal werden uit hun hengsels gerukt, en klapperden heen en weer alsof het triplex deuren waren. Eerst volgde een diepe stilte die uren leek te duren, maar in werkelijkheid waarschijnlijk slechts enige minuten in beslag nam. Waarschijnlijk, want iedereen verklaarde later een soort black out te hebben gehad. Een niet in te vullen ruimte, vermoedelijk veroorzaakt door de enorme luchtdruk.

Gillen, hollen, schreeuwen, het gebeurde allemaal tegelijk. Ieder wilde door dat ene mangat, waardoor men met een trapje het straat niveau kon bereiken. Voor en achterzijde van de kelder waren ingestort. Boven gekomen, zagen we dat op een tiental meters afstand het grote houtmagazijn in lichter laaie stond. We moesten rennen voor ons leven. In een flits zagen we toch nog in het voorbijgaan dat onze gehate partijman, “gesneuveld “ was voor het vaderland. Al die door hem gehate buitenlanders waren er zonder een schrammetje vanaf gekomen.

Zoals reeds gezegd, die Oekraïense meisjes mochten er best zijn. Het was in de ogen van de Duitsers echter de minst geachte groep, van een minderwaardig ras. Wij deelden natuurlijk niet die mening. Het waren ook gevangenen en gedeelde smart is halve smart. Wij lieten ze dan ook delen als er eens pakketten was gekomen. Van hun kant deden zij dan weer kleine werkjes voor ons, zoals b.v. kleren verstellen. Sokken stoppen was niet nodig omdat we die luxe niet kenden. Daar dienden vierkante lappen voor. Je zette je voet daarop, sloeg de rest om je voet heen, en stapte zo in je klompschoen. Als je een touwtje had, bond je alles bij elkaar om de enkels.

Er waren nogal betrekkelijk veel getrouwde mannen in het kamp. Die begonnen toch wel gebrek aan seksuele omgang te missen. De brutaalsten onder ons, maakten een valse sleutel van de barakdeur, en piepten er in de nacht, na het laatste appèl tussenuit. In het barakkenkamp van de Russinnen was niet zo een strenge controle, en daardoor lukte het wel om soms een nachtje weg te blijven. Ze zorgden dan voor het ochtend appèl weer in de barak te zijn. Door het geregeld contact met die meisjes, leerde je natuurlijk wel een mondje vol Russisch. Erg belangrijk, want je moest tijdens een klein vrij partijtje , hier of daar in een donker hoekje, toch kunnen zeggen hoe lief je zo een meisje vond.

                              

 

 

                                                                           Bombardement

 

Die aanblik zal wel niemand van ons ooit vergeten.! De fabriek aan de overzijde van de straat, was voor een groot deel verwoest en stond op vele plaatsen in lichterlaaie. Richting centrum kijkend zagen we èèn vuurzee. Het was zo helder dat je met gemak de krant had kunnen lezen. Hellichte fakkels, die door de verkenners van het bommeneskader worden uitgeworpen om het doel te markeren voor de volgers, hingen nog brandend en langzaam zakkend in de lucht. Overal ontploften nog bommen die waarschijnlijk als blindganger waren neergekomen , maar nu door de branden of andere oorzaken tot ontploffing kwamen. Van de stipte controle die er altijd na een alarm plaats vond, was nu geen sprake. Onze bewakers waren gewoon hun hoofd kwijt. Trouwens wat had het voor zin om te tellen. Het front was al zo dichtbij, dat er voor ons ook geen belang bij was om te vluchten. Het was nu een kwestie van geduld en overleven, begrepen we.

We hadden juist vorige dag een Amerikaans pakket ontvangen , en de sigaretten kwamen goed van pas om onze zenuwen een beetje te verdoven. Nog lang werd er nagepraat, van slapen kwam voorlopig nietsHet was een rare toestand, want de deur van de barak stond wagenwijd open, en af en toe kwam er nog iemand binnen, die in zijn angst en zenuwen een andere kant was opgehold. Toen pas werd er tel-appèl gehouden, en hierbij bleek dat iedereen weer ongedeerd terug was. Omdat we de zaak toch niet vertrouwden, gingen we, met het pakket naast ons, gekleed op de krib liggen. Het zal rond èèn uur in de nacht geweest zijn toen iedereen een beetje tot rust gekomen , in slaap was gevallen.Ruim een uur later werden opnieuw opgeschrik door het sein vooralarm, maar meteen daarachter het signaal hoogste alarm toestand. Tijd om schoenen aan te trekken was er nauwelijks, want in de verte hoorden we al motorgeronk en het ontploffen van bommen. Ieder vloog in de richting waarvan hij dacht dat het daar het veiligste was. Of dachten we helemaal niets ? Ja, toch wel, want mijn keuze was deze keer bewust. Na de eerste aanval had ik nl. besloten, om, als het mogelijk was niet meer te gaan schuilen in èèn of ander gebouw of schuilkelder. Ik ging namelijk van de gedachte uit dat een mens in de ruimte nu eenmaal minder trefkans zou hebben dan dat hij in een gebouw was, wat nu eenmaal door de grootte veel meer kans had om geraakt te worden.

Ik besloot dus het vrije veld op te zoeken. Denken en handelen was èèn op dat moment. Dus hollen , de stad uit. We hadden het voordeel dat we min of meer al in de buitenkant van de stad gevestigd waren. Het vege lijf redden gebeurde instinctief. En natuurlijk het Amerikaanse pakket onder de arm. Maar een enigzins vrije omgeving was nog altijd een afstand van naar schatting 1 à 2 kilometer, en als de bommen reeds om je heen vallen , is dat een reuze eind. Het werd dus vallen en opstaan. Vallen omdat je dacht dat de volgende bom op je hoofd zou komen, opstaan en weer rennen om in betrekkelijk veilige open ruimte te komen. En dat alles op ongemakkelijke klompschoenen. Eindelijk dan, bereikten we een Elbebrug waar we buiten adem neer vielen. Een mengelmoes van nationaliteiten bleek hier verzameld te zijn. Maar eigenaardig genoeg geen Duitsers, maar alleen buitenlandse arbeiders, zoals: Tjechen, Fransen , Belgen en Nederlanders.

De aanval was intussen in volle hevigheid losgebarsten, en tot meer veiligheid besloten de meesten onder de brug te gaan schuilen in plaats van aan de oevers, hiermee toch weer het idee prijs gevend van ergens onder te gaan schuilen. Maar in doodsnood doet een mens rare dingen. Want werkelijk je was daar in doodsnood. Elke volgende bom verwachtte je voor jou te zijn. Later bleek ons dat die gierende bommen betrekkelijk weinig kwaad konden. Als je het gieren, angstwekken geluid, hoorde, viel de bom op voldoende afstand om nog kwaad te kunnen. Een vol uur duurde de aanval waarbij je steeds verstijfde van schrik bij de detonaties van ontploffende bommen, het gegier en gebrul van duikende vliegtuigen. Als ergste verschrikking golden de luchtmijnen. Het geluid hiervan tartte elke beschrijving als je bedenkt dar deze mijnen gaten sloegen waar een normaal huis met gemak in verdwijnt. Na het nog lang gewantrouwde sein alles veilig, liepen we met knikkende knieën langzaam terug naar de barak.

 

 

 

 

                                                                                         Daarna    top

 

 

Van ons commando was gelukkig niemand gewond of vermist, en bij het uitwisselen van elkaars ervaringen bleek dat de groep letterlijk naar alle wind richtingen uiteen gestoven was. Nu kwam er natuurlijk helemaal niets van slapen. Elk vreemd geluid deed je weer opschrikken, als bleek dat je toch iets was ingedut. De zenuwen hadden je zo te pakken, dat dagen later de stoelgang danig in de war was. Bij daglicht zagen we pas goed wat voor verwoestingen waren aangericht.

Onze eerste aanblik gold de fabriek aan de overkant. Hele afdelingen waren Ingestort. Machines hingen op schuin aflopende vloeren min of meer in de lucht. Dode lichamen , of delen daarvan, hingen of lagen op de vreemdste plaatsen. De nachtploeg, in samenwerking met de reeds opgekomen dagploeg was volop bezig de slachtoffers uit te graven. Omdat er natuurlijk niet gewerkt kon worden, bleven we zo een beetje in en om de barak rond lummelen. Ook de barak was getroffen, zij het dan alleen maar door de luchtdruk. Verblijven hier was niet meer mogelijk alvorens herstel van de schade zou zijn verricht.

In de loop van de dag vertrok ons commando naar een dorpje buiten de stad. Het eigenaardige doet zich voor dat ik alleen maar weet dat we in een dorpje waren, en verder helemaal niets. Niet waar we waren ondergebracht, wat we daar deden, hoe lang we daar waren. Misschien wel een gevolg van geestelijke schade, opgelopen door het bombardement. In ieder geval heeft het niet langer dan enkele dagen of een week geduurd. Er moet nog gezegd worden dat we de dag na de nachtelijke aanval, werden ingezet om in de stad puin te ruimen. Een hopeloze taak natuurlijk, om millioenen tonnen puin met de schop te lijf te gaan. Tijdens dit puinruimen, het was rond het middaguur, kwam de derde aanval. Onder een stralende blauwe hemel zagen we de formaties reeds van ver komen aanvliegen. Alleen zo hoog dat je praktisch alleen aan de condensstrepen kon zien waar ze waren. Afweer van luchtdoel geschut was er nauwelijks, zodat men vrij spel had.

Ja, waar moesten we nu schuilen. We bevonden ons op dat moment aan de kade van de rivier, min of meer in een parkachtig gedeelte. Gaan liggen, en lijdzaam afwachten was het enige wat we doen konden. Gelukkig duurde deze aanval niet langer dan een half uur, wat natuurlijk nog lang genoeg is om alle angsten opnieuw te beleven.

Dit was toch werkelijk waanzin!! Redders, in volle actie, kwamen om met de nog levenden onder het puin. Na het bombardement was de ontreddering volkomen. Het weinige blus en reddings materiaal wat er na de nachtelijke aanval was overgebleven, was nu ook vernield. Voorlopig was alleen de blote hand het enige werktuig.

Terugkerend naar de reeds vertelde evacuering naar het dorp, zoals reeds gezegd kwamen we na ongeveer een week weer terug in de stad. Reeds op afstand roken we de stank van ook nu nog rokende puinhopen. Men was nog steeds bezig de stad te verlaten. Stromen vluchtelingen, hun resterende bezittingen geladen op typische trekkarretjes die je bij ons aan het strand voor de kinderen ziet, keerden de dode stad de rug toe. Strakke gezichten, starende ogen. Men deed als het ware alles volkomen automatisch.

De bijzonderheden over dit bombardement van de prachtige kunststad, het grootste, zwaarste, en meest volkomen bombardement, staat beschreven in het boek “DER TOD VON DRESDEN “geschreven door Axel Rodenberger in 1951, dus zes jaar na de aanval. Genoeg tijd dus om een bezonnen oordeel te kunnen vormen. Het boek is verlucht met vele foto’s, waarvan verschillende gruwelijk zijn om aan te zien.

 

 

 

 

                                                                                                 

                                Doden kelders                           top

De barak was weer hersteld, en de eerste dag werd gebruikt om ons weer een beetje te installeren. Er zou voor eten worden gezorgd, was gezegd, maar dat bleek weer eens een zoet houdertje te zijn, waarvan de Duitsers nogal een handje hadden. Gelukkig hadden we nog ons pakket, waaruit we de ergste honger konden stillen.

De volgende morgen, ook weer zonder brood, werden we naar de stad gedirigeerd. Op de vraag wat we gingen doen, werd geheimzinnig gezwegen. Verder aandringen was niet gewenst, want na het bombardement was de stemming bij de Duitsers grimmiger geworden, en elke prikkeling zou gevaarlijk kunnen zijn.

In een bepaalde straat, of wat daarvoor doorging, aangekomen , werden vrijwilligers gevraagd om wat lijken uit de kelders te halen. Niemand trad natuurlijk naar voren. Zo aanlokkelijk leek dit lugubere werk niet. Toen werden er een paar aangewezen en gedwongen om mee naar beneden te gaan. Met een paar slokken sterke drank op de nuchtere maag, zou het wel gaan, vonden de Duitsers. De groep kwam weer naar boven met tussen hen in verschillende lijken in dekens of lakens gewikkeld. Een paar moesten overgeven, maar ze werden weer gedwongen om naar beneden te gaan. Zo kwam op zijn tijd iedereen aan de beurt. De lijken werden op het trottoir gelegd naast de lange rijen die er al lagen. Een gruwelijk aanzien, maar met flink wat sterke drank in de maag, ging het op den duur wel, en aan alles kan men wennen, ook al is het nog zo gruwelijk.

Onze bewakers hadden hun doel bereikt, en hoefden in het vervolg alleen maar aan te geven, waar we naar beneden moesten gaan. Op resten van muren werd dan met krijt geschreven hoeveel slachtoffers naar boven waren gehaald. Werden er alleen maar half verbrandde delen gevonden, en was de legpuzzel van bij elkaar geraapte lichaamsdelen te moeilijk, dan werd alleen maar een geschat getal opgeschreven. Mede door de invloed van de drank, en deels door afstomping van onze gevoelens, was dat zorgzaam omgaan met de slachtoffers al gauw voorbij. Als de Duitsers niet keken, sleepten we alles aan handen en voeten naar boven. Daarbij wel zorgend dat we zo min mogelijk met onze blote handen in aanraking met de lijken kwamen. Doordat het uitzonderlijk warm was voor de tijd van het jaar, en de branden ook voor de nodige warmte hadden gezorgd, begonnen de lijken snel te ontbinden. De stank probeerden we te weren door zakdoeken voor neus en mond te binden. Inmiddels begon de maag te spreken, en omdat we die morgen niets gegeten hadden, en we pas tegen de avond naar de barak zouden terugkeren, besloten we zelf maar op rooftocht te gaan. We hadden het voordeel dat bijna elk Duits gezin wel wat voorraad had in de kelder, bestemd voor uiterste noodzaak. Meestal dan ook van goede kwaliteit. De sterke drank ontbrak bijna nergens. We dronken het op den duur als water, en alles door elkaar. Van de duizenden, en nog eens duizenden, die wij borgen, hadden velen het vege lijf kunnen redden als ze maar wat durf hadden getoond, of beter waren ingelicht. In sommige kelders lagen de lichamen op een hoop in de verst verwijderde hoek van de ingang. Uitwijkend voor de vlammen, maar tevens het laatste restje zuurstof gebruikend wat nog in de kelder aanwezig was, en zo gedoemd om met zijn allen te stikken, ter plekke, op en in elkaar. Want soms moesten we werkelijk de lichamen van elkaar halen, zo verstrengeld waren ze. Als troost in bange uren, zagen we in menige hand de bruidsfoto.

Dagenlang was het bergen van lijken nu ons werk. Elke dag werden snellere methoden uitgedacht, om maar zoveel en zo snel mogelijk te bergen. Algemene verrotting trad op, en de stank die over de stad hing en alles en iedereen doordrong, was bijna ondraaglijk geworden. De tonnen chloor en andere ontsmettingsstoffen ten spijt.

Typische Oosteuropese wagens , met op de bok ingelijfde Witrussen van het Duitse leger, reden de hele dag af en aan, hoog opgestapeld met lijken. Spoedig zag men in dat begraven geen enkele zin had. Daarom werd op de Altmarkt, voorheen een plein met prachtige middeleeuwse en barokke gevels, stellingen van stalen buizen gebouwd. Op het rooster werden de lijken hoog opgestapeld, met benzine overgoten en in brand gestoken. De weeë lucht golfde over de stad, tot misselijk makend toe.

 

 

 

Puin ruimen

 

Het standrecht was inmiddels ingesteld, wat betekent dat rovers ter plekke, en zonder gerechtelijke tussenkomst , konden worden neer geschoten. Het gerucht ging al dat er een paar Engelsen ware terecht gesteld. Dat zou best een verzinsel van de Duitsers geweest kunnen zijn, want daarin waren ze sterk , alleen maar om angst te zaaien. Maar we werden wel voorzichtiger. Vrije vogels waren we intussen wel, want er heerste zo een wanorde, dat de bewakers er alleen maar belang bij hadden als het aantal, bij het afmarcheren naar de barak klopte.

Het lijken ruimen had onderdehand geen zin meer, want wat er nog aan lijken onder het puin lag, en dat waren er nog eens duizenden en nogmaals duizenden, lagen onder zulke gigantische hopen puin, dat het weken, zo niet maanden zou duren alvorens alles geborgen was. De gigantische machines die heden ten dage zulke karweitjes in luttele dagen klaren , waren nog niet uitgevonden.

Er was slechts èèn maatregel die afdoende zou zijn, hoe hard dit ook voor de naasten die wisten dat verwanten nog onder het puin lagen . Hoevelen zouden er misschien nog leven, maar door massa’s puin van de buitenwereld afgesloten, machteloos op hun einde wachten. Er werd besloten dat alle smalle straten, zijstraten van de hoofdstraten, zouden worden afgesloten met het puin. Immers in die smalle straten lag het puin meters hoog omdat de gevels, en wat daarachter was, naar elkaar waren toegeklapt. Het was onbegonnen werk hier eerst te ruimen, en dan de slachtoffers te bergen. In die tijd zouden er alleen maar doden geborgen kunnen worden. Een cynische gedachte, maar ingegeven door praktische overwegingen. Met grote brokken natuursteen, afkomstig van de grote gebouwen in de hoofdstraten, werden dus de zijstraten afgesloten tot een hoogte van ongeveer twee meter, zodat er geen mens meer kon doordringen tot dat dodenrijk. Nogmaals tonnen gebluste kalk, was het enige wat nog restte.

De volgende dag werden we ingezet om puin te gaan ruimen. Als eerste object werd het postkantoor uitgekozen. Animo was er natuurlijk helemaal niet om vanuit het gebouw de opwaaiende asresten met de schop naar buiten te werken. Om hier orde te scheppen zouden we weken werk hebben. Toen we eens een paar dagen dit stof slikkende werk gedaan hadden, besloten mijn vriend Piet Sprenger en ik , eens op avontuur te gaan, hoe gevaarlijk dit ook kon zijn. In een smal straatje, niet ver van het postkantoor verwijderd, wisten we de resten van een bakkerij. En omdat we doorlopend honger hadden, dachten we hier nog wel iets van onze gading te vinden. Eerst aan het begin van de “straat “ , kijken of er geen onraad was. Straat wel tussen aanhalings tekens, want je moest over drie meter hoog puin klauteren. En dat puin lag in die straat even hoog. Strompelend ging je dan naar omlaag, waar toevallig nog een deur van de kelder of zo, toegang gaf tot een gedeelte wat nog een beetje intact was, maar waarboven de hele troep in grote brokken kriskras door elkaar lag.

Het was natuurlijk stikdonker in die kelder, en we moesten op onze herinnering te werk gaan, want het was alweer een poosje geleden dat we daar geweest waren met lijken ruimen. En zo goed hadden we de situatie niet in ons opgenomen , niet wetende dat we nog eens terug zouden komen. Het licht van onze aansteker gaf ons richting. Hier en daar voorzichtig proeven totdat we een vat met kunsthoning vonden. Eerst met de vinger erin, maar toen dat niet vlug genoeg ging, met de lepel maar. Maar al ben je nog zo hongerig, zoet gaat toch gauw tegenstaan, en we maakten aanstalten om weg te gaan, toen we ergens stemmen hoorden. We verstijfden van schrik, want we dachten meteen aan het standrecht. Het was dan wel niet direct roven wat we deden, maar hoe zou de reactie zijn van de ontdekker, en vooral wie zou het zijn.?

Een vluchtweg was er niet, want achter ons liep de kelder door een klein poortje dood. De stemmen, het waren er meerderen, kwamen steeds dichterbij, en er bleef niets anders over dan ons zo klein mogelijk te maken achter een deur die we zo dicht mogelijk tegen ons aandrukten. Een lichtstraal van een zaklantaarn zagen we al op de muren dansen, en visioenen van een standrechtelijke executie kwamen ons al voor de geest. De lichtbundel scheen in het vertrek waar wij waren, gleed langs de rekken en weer terug. En net toen de spanning op zijn hoogtepunt was, en wij met ingehouden adem stonden te trillen op de benen, en op het ergste stonden te wachten, hoorden we een stem zeggen :� Nou, hier is ook niks.� Het geluid van zich verwijderende voetstappen stierf weg, en wij waren weer alleen in de kelder.

 

 

 

top

 

                          

 

John opperde toen het idee om helemaal niet meer terug te gaan en de kleding, die van zeer goede kwaliteit was, niet terug te geven. Ik vond dat we dit de vrouwen niet aan konden doen, mede door de menselijkheid die ze hadden getoond. We keerden dus halverwege terug, vertelden de vrouwen onze bezwaren, en na enige discussie, namen we hartelijk afscheid. Maar goed dat we zo gehandeld hadden, want de volgende dag vertrokken we. Nog steeds onder geleide van onze bewakers.

De wegen waren overvol met vluchtelingen, bepakt met allerlei zaken, geladen op de bekende trekkarretjes. Hoe dichterbij het front, des te groter werd de verwarring. Onze bewakers werden hoe langer hoe nerveuzer. Toen ze, wat ze herhaaldelijk deden, aan soldaten op tanks en legerwagens vroegen hoe ver het front, ofwel de Russen nog verwijderd waren, ten antwoord kregen dat het nog enkele kilometers waren, gooiden ze hun wapens in de berm van de weg, wensten ons een goede terugkeer naar huis toe, en verdwenen in tegengestelde richting. Daar stonden we dan !! Eigenlijk vrij . We besloten verder te gaan in de gekozen richting, want uiteindelijk waren daar de Russen, en daar waren we liever dan bij de Duitsers.

De luchtaanvallen waarvan we de afgelopen uren veel te lijden hadden gehad, verminderden. Een teken te meer dat we het niemands land naderden.

Tijdens die luchtaanvallen zaten we soms midden in het spervuur van de boord kanonnen. Weg hollen had geen enkele zin. Alleen maar duiken in de berm van de weg, en je zo klein mogelijk maken, wat instinctief gebeurde.

Toen we bij een driesprong kwamen, waren de meningen verdeeld in welke richting we verder zouden trekken . Een groepje buitenlanders van verschillende nationaliteiten, stonden er net zo voor. Omdat het al begon te schemeren, besloten we met zijn allen in het bos te gaan, en proberen zo goed en zo kwaad dat zou gaan, wat te slapen. Het was inmiddels stil geworden. Af en toe in de verte het ontploffen van een of andere versperring. Ieder ging een leger maken van takken en bladeren, om daarop wat te rusten of te slapen. De spanningen van de afgelopen dag, en de gissingen naar wat ons morgen te wachten zou staan, deed ons de slaap niet vatten. Toen dan ook op een gegeven moment een Fransman schreeuwend vanaf de bosrand kwam aan rennen, waren we meteen klaarwakker en weer op de been. “De Russen zijn er “, schreeuwde hij. “Leve de overwinning “ was zijn volgende kreet.

Met een inderhaast gemaakte witte vlag, trokken we gezamenlijk naar de bosrand. Enige jonge Russen stonden daar te wachten. Het automatische geweer in de aanslag, maar dat was meer uit voorzorg dan op ons gericht. Ze moesten lachen om die witte vlag. Notabene krijgsgevangenen, die niets met het oorlogsgebeuren te maken hadden, zich overgeven met een witte vlag. Er viel niets over te geven.

Zo, dat waren dus die gevaarlijke Russen. Nou, ook maar gewone jonge knullen, zonder kouwe drukte, tenminste tegenover ons. Gekleed in het bekende halflange hemd, de laarzen over de broek. Op die laarzen wijzend zeiden ze,� Deutz, Deutz ,�! In mijn beste Russisch gaf ik nu een volzin ten beste die ik van een van de russinnen op de fabriek had geleerd. Ik vertelde dat we Nederlandse krijgsgevangenen waren , en graag zo vlug mogelijk naar huis toe wilden. Dawai, Dawai, ga maar, was het lachende antwoord. We kregen als afscheids geschenk wat sigaren en een paar blikken vlees mee. Hadden ze van de Duitsers gejat, vertelden ze ons.

Het overnachtingsplan in het bos, was nu opeens niet meer belangrijk. We besloten het laatst gepasseerde dorp op te zoeken, en daar onderdak voor de nacht te organiseren. Het dorp was totaal verlaten. Ieder zocht een plekje in een verlaten huis, en sommigen zelfs in een hotel. Ons onderdak bleek een verlaten keuken van de Duitsers te zijn. Te moe van het trekken om rond te neuzen, ontdekten we dit de volgende morgen. Een grote veldkeuken vol met noedels, een Duits meel produkt,. Voorzag ons die morgen van een ontbijt. Weliswaar een koude meelspijs, maar toch het buikje vol en rond. Op de vorige avond afgesproken tijd en plaats was iedereen present. Duitse stafkaarten wezen ons de weg naar het westen, waar we de Amerikanen wisten. Maar eerst wachtte ons nog een voetreis van veertien dagen.

Onze tocht begon min of meer op een wandeltocht te lijken. Mede door het prachtige weer. Alle spanning was nu van ons afgevallen. We voelden ons vrij. Geen oorlogsgeweld meer, maar alleen de mooie natuur, en een haast onwerkelijke stilte.

John opperde toen het idee om helemaal niet meer terug te gaan en de kleding, die van zeer goede kwaliteit was, niet terug te geven. Ik vond dat we dit de vrouwen niet aan konden doen, mede door de menselijkheid die ze hadden getoond. We keerden dus halverwege terug, vertelden de vrouwen onze bezwaren, en na enige discussie, namen we hartelijk afscheid. Maar goed dat we zo gehandeld hadden, want de volgende dag vertrokken we. Nog steeds onder geleide van onze bewakers.

De wegen waren overvol met vluchtelingen, bepakt met allerlei zaken, geladen op de bekende trekkarretjes. Hoe dichterbij het front, des te groter werd de verwarring. Onze bewakers werden hoe langer hoe nerveuzer. Toen ze, wat ze herhaaldelijk deden, aan soldaten op tanks en legerwagens vroegen hoe ver het front, ofwel de Russen nog verwijderd waren, ten antwoord kregen dat het nog enkele kilometers waren, gooiden ze hun wapens in de berm van de weg, wensten ons een goede terugkeer naar huis toe, en verdwenen in tegengestelde richting. Daar stonden we dan !! Eigenlijk vrij . We besloten verder te gaan in de gekozen richting, want uiteindelijk waren daar de Russen, en daar waren we liever dan bij de Duitsers.

De luchtaanvallen waarvan we de afgelopen uren veel te lijden hadden gehad, verminderden. Een teken te meer dat we het niemands land naderden.

Tijdens die luchtaanvallen zaten we soms midden in het spervuur van de boord kanonnen. Weg hollen had geen enkele zin. Alleen maar duiken in de berm van de weg, en je zo klein mogelijk maken, wat instinctief gebeurde.

Toen we bij een driesprong kwamen, waren de meningen verdeeld in welke richting we verder zouden trekken . Een groepje buitenlanders van verschillende nationaliteiten, stonden er net zo voor. Omdat het al begon te schemeren, besloten we met zijn allen in het bos te gaan, en proberen zo goed en zo kwaad dat zou gaan, wat te slapen. Het was inmiddels stil geworden. Af en toe in de verte het ontploffen van een of andere versperring. Ieder ging een leger maken van takken en bladeren, om daarop wat te rusten of te slapen. De spanningen van de afgelopen dag, en de gissingen naar wat ons morgen te wachten zou staan, deed ons de slaap niet vatten. Toen dan ook op een gegeven moment een Fransman schreeuwend vanaf de bosrand kwam aan rennen, waren we meteen klaarwakker en weer op de been. “De Russen zijn er “, schreeuwde hij. “Leve de overwinning “ was zijn volgende kreet.

Met een inderhaast gemaakte witte vlag, trokken we gezamenlijk naar de bosrand. Enige jonge Russen stonden daar te wachten. Het automatische geweer in de aanslag, maar dat was meer uit voorzorg dan op ons gericht. Ze moesten lachen om die witte vlag. Notabene krijgsgevangenen, die niets met het oorlogsgebeuren te maken hadden, zich overgeven met een witte vlag. Er viel niets over te geven.

Zo, dat waren dus die gevaarlijke Russen. Nou, ook maar gewone jonge knullen, zonder kouwe drukte, tenminste tegenover ons. Gekleed in het bekende halflange hemd, de laarzen over de broek. Op die laarzen wijzend zeiden ze,� Deutz, Deutz ,�! In mijn beste Russisch gaf ik nu een volzin ten beste die ik van een van de russinnen op de fabriek had geleerd. Ik vertelde dat we Nederlandse krijgsgevangenen waren , en graag zo vlug mogelijk naar huis toe wilden. Dawai, Dawai, ga maar, was het lachende antwoord. We kregen als afscheids geschenk wat sigaren en een paar blikken vlees mee. Hadden ze van de Duitsers gejat, vertelden ze ons.

Het overnachtingsplan in het bos, was nu opeens niet meer belangrijk. We besloten het laatst gepasseerde dorp op te zoeken, en daar onderdak voor de nacht te organiseren. Het dorp was totaal verlaten. Ieder zocht een plekje in een verlaten huis, en sommigen zelfs in een hotel. Ons onderdak bleek een verlaten keuken van de Duitsers te zijn. Te moe van het trekken om rond te neuzen, ontdekten we dit de volgende morgen. Een grote veldkeuken vol met noedels, een Duits meel produkt,. Voorzag ons die morgen van een ontbijt. Weliswaar een koude meelspijs, maar toch het buikje vol en rond. Op de vorige avond afgesproken tijd en plaats was iedereen present. Duitse stafkaarten wezen ons de weg naar het westen, waar we de Amerikanen wisten. Maar eerst wachtte ons nog een voetreis van veertien dagen.

Onze tocht begon min of meer op een wandeltocht te lijken. Mede door het prachtige weer. Alle spanning was nu van ons afgevallen. We voelden ons vrij. Geen oorlogsgeweld meer, maar alleen de mooie natuur, en een haast onwerkelijke stilte.

 

                                                                       Russen

 

               top

 

 

Verkeer was er niet, zodat we op de grote autowegen wandelden. Op èèn van die wegen zagen we nog een inderhaast in elkaar gezette vliegtuig basis. Toestellen met de camouflagenetten er nog overheen. Daar tussendoor vernietigde exemplaren en hier en daar grote bom gaten. Toen op de grote wegen het troepen transport van de Russen een aanvang nam, tenslotte moest het bezettingsleger verspreid worden, vonden we het raadzamer om de kleine landwegen op te zoeken. Aan het eind van elke wandeling vonden we wel ergens onderdak bij een Duitse boer. De stugste Duitse boer ontdooide meteen toen hij ontdekte met Hollanders van doen te hebben. De polen hadden het gedaan bij hun, want hele troepen Polen trokken rovend, moordend en plunderend rond in het nog onbezette gebied. Die konden hun opgekropte haat na jaren lang inhouden nu eindelijk botvieren.

Iedere Duitser schold natuurlijk op Hitler en zijn trawanten. We lieten het maar zo, en profiteerden van de gastvrijheid met een bijsmaakje, met een vanzelf sprekendheid, als vergoeding voor het onrecht ons die jaren aangedaan.

Bagage is iets van jezelf, en je probeert dat zolang mogelijk bij je te houden. Maar op een voettocht van veertien dagen, gaat elke kilo loodzwaar meetellen. Je begint dus met dat wat je op dat moment denkt te kunnen missen, weg te gooien. Na een paar dagen had ik inplaats van een tamelijk grote koffer, alleen nog maar een Duitse soldaten ransel, die ik bovendien op de rug kon doen. Heerlijk de handen vrij. Van de weinige Russen die we onderweg tegen kwamen, ondervonden we geen moeilijkheden, behalve in èèn geval. We hadden, van verschillende fietsen die niet compleet waren, een hele gemaakt. Soms ging daar bagage op, en soms zat er een uitvaller op om even bij te komen. Toe we in een bepaald dorp op doortocht waren, hield een Rus ons staande. Machinegeweer in de aanslag. Hij was er op uit om horloges te jatten. Helaas aan het verkeerde kantoor, want onze horloges waren destijds al lang verruild voor etenswaar. Om zijn figuur toch nog wat te redden, vorderde hij toen maar de enige fiets die we bezaten. Triomfantelijk liep hij weg met zijn oorlogsbuit.

Ondanks de drang om thuis te komen, liepen we niet in geforceerde dagmarsen. Als we dachten genoeg gelopen te hebben, en of dat nu vroeg of laat in de middag was, zochten we onderdak voor de nacht. Dit lukte altijd, en er is ons nooit onderdak geweigerd, wat waarschijnlijk ook weer kwam omdat we met enig gemak de taal beheersten. We hebben zelfs eens zeer luxueus overnacht. Het avondmaal en het ontbijt was navenant. Dat was bij een partijbons, die misschien dacht hierdoor zijn duistere verleden te kunnen verdoezelen. Ondanks zijn afkomst, wat nog uit alles bleek, staken we onze mening niet onder stoelen of banken, hetgeen hij, lachend als een boer die kiespijn heeft, wel moest aanvaarden.

Na ongeveer twee weken bereikten we de stad Gera. Hier werden we aan de rand van de stad hartelijk ontvangen door de Amerikanen. Niemand kwam die controlepost voorbij, zonder geldige papieren. Wij hadden natuurlijk niets van dien aard, maar werden in eerste instantie betrouwbaar genoeg bevonden om te worden doorgelaten.

Grote legertrucks reden af en aan om ons naar het andere eind van de stad te brengen, waar het grote opvang centrum was. Net als bij de eerste ontmoeting, werden we ook hier rijkelijk voorzien van chocolade en sigaretten. Wat een behandeling!! Eerst, ja eerst, eten en een douche nemen. Daarna pas de vervulling van de diverse formaliteiten. Zoiets waren we niet meer gewend. Twee jaar lang waren we behandeld als uitschot, en was schreeuwen en schelden tegen ons, heel normaal.

Bij het inschrijven, gebruikten de Amerikanen voor elke nationaliteit een man met die nationaliteit, die tevens de Engelse taal voldoende machtig was om de vragen in te vullen. Zo spaarden ze eigen mensen uit, die voorlopig zich aan andere taken konden wijden. Als tolk kreeg je extra rantsoenen chocolade en sigaretten, waarvan ik ook mocht profiteren. Toen het avond was geworden, kon ieder een eigen bed gaan zoeken, waar hij wilde. Het was een tamelijk nieuwe Duitse kazerne. Volledig intact door de Amerikanen in gebruik genomen.

Door de taak van tolk, en de administratieve afhandeling daarvan, was ik te laat om in de overvolle kazerne nog een behoorlijk plaatsje te vinden. We zwierven daarom met z’n tweeën wat over het kazerne terrein. Nieuwsgierig neuzend, hier en daar, en volkomen vrij in onze bewegingen. Omdat we dachten dat alles Amerikaans was wat de klok sloeg, spraken we een paar mannen van de wacht in het Engels aan. Het bleken echter een paar Frans-Canadezen te zijn, die ook wel wat Engels spraken. Bij ons was het juist omgekeerd. Wij spraken Engels, en verstonden ook wel wat Frans. Nou ja, met een mengsel daarvan, vlotte de conversatie toch nog redelijk.

                                                                                 De tocht

 

 

 

 

                                                                                                                         Taal

 

We vertelden in het kort waar we vandaan kwamen en wat onze belevenissen in Duitsland geweest waren. Van hun kwamen hun verhalen over hun oorlogs ervaringen. De nachtelijke uren vlogen daardoor om, en voor we er erg in hadden, kwam voor onze vrienden de aflossing. We wilden ons verwijderen, en alsnog proberen ergens wat te slapen, maar dat werd breed afgewimpeld. We moesten maar eens meegaan naar hun verblijf. Een luxe flat ergens in de buitenwijken van de stad. Gevorderd met alle gemakken er in, erop en eraan.

Eerst een geweldig ontbijt, met ham, spek en eieren ! Daarna een weldadig warm bad, waarna we gingen slapen. We moesten kiezen in welk bed we wilden liggen, en sliepen binnen de kortste keren.

Voorzien van schoon en nieuw ondergoed, de Duitse vodden hadden we in de vuilnisbak achter gelaten, werden we netjes in de luxe wagen naar de kazerne gebracht. Niemand had ons gemist. Geen tel-appèl!!. Het definitieve opvangcentrum was gevestigd in de stad ERFURTH. Per legertruck werden we later op de dag daarheen gebracht. Hier was wel een vaste regelmaat. Dat wil zeggen, weer geen appèl, maar wel vaste tijden van ontbijt en de andere maaltijden.Toch ook weer ruim genomen, want je kon tussen bepaalde tijden je eten halen, daarna ging de keuken dicht.

Hier was alles meer onder Engelse leiding. Er was een korte tijd sprake dat de Nederlanders niet rechtstreeks naar hun land konden terugkeren. Ze moesten dit via Engeland doen, want in het voedselarme Nederland zou nog te weinig voorraad zijn om al de terugkerenden te voeden. Het leek mij wel aanlokkelijk, voor het eerst van mijn leven te gaan vliegen. Op de achtergrond dacht ik wel een beetje schuldbewust aan mij ouders. Die zouden toch graag zo gauw mogelijk bericht van hun zoon willen ontvangen.

Uiteindelijk liep de bevoorrading van Holland toch vlugger dan voorzien was, want na ongeveer veertien dagen kwam het bericht dat we toch naar Nederland zouden gaan. De spoorlijnen waren overbezet door troepen transporten om het bezettings leger overal in Duitsland te stationeren. Ook was er, tenminste voor ons transport, geen mogelijkheid om rechtstreeks naar Nederland te reizen. We zouden dus via Frankrijk, Luxemburg en België gaan. Ook goed ! Als we maar thuis kwamen. Want nu dat avontuurtje via Engeland toch niet door ging, kwam het verlangen naar huis weer boven.

 

 

 

  Naar huis    top

                

                    

 

ok nu was het transport weer in veewagens, maar dit keer door het gebrek aan anders soortige wagons. Het verschil met ruim twee jaar geleden was nu, dat de deuren naar believen open konden, en dat we volgestopt met biskwie en chocolade de terug reis begonnen. De reis duurde enige dagen. In verhouding met heden ten dage, erg lang. Maar dat kwam omdat er steeds op een zijspoor gereden moest worden omdat andere belangrijker transporten voor gingen.

Bij elke stopplaats stonden bedelende Duitse kinderen, en wij gaven ruim van onze voorraad biskwie. Zij konden het ook niet helpen dat hun ouders Duitsers waren.

Het was nog steeds prachtig weer . We lagen daarom soms bovenop de wagons. Eens bleef de trein in een tunnel lang stilstaan. Toen was het toch wel benauwd met de kolendamp van de locomotief. We waren blij toen we weer gingen rijden. De lezer zal intussen wel begrepen hebben dat de stemming opperbest was. Genoeg eten ! Genoeg drinken ! Op weg naar huis, wat wil je nog meer.

Na enige dagen kwamen we op Frans grondgebied. Onze Franse vrienden werden op elk station uitbundig begroet, alsof zij het waren die de oorlog hadden gewonnen.Op het station van Metz sleelde een militaire kapèl de Marseillaise. Van ontroering lieten de terugkerenden de tranen de vrije loop. Geen wonder, velen van hun waren reeds vanaf 1940 in Duitse gevangenschap. Via nog èèn opvangcentrum , in Thionville , kwamen we eindelijk in Maastricht.

Het eerste wat we hier hoorden was een waarschuwing uit de luidsprekers, dat niemand de trein mocht verlaten alvorens een eerste controle door de grens politie. Geen feestelijke ontvangst, en zo op het eerste gehoor onaangenaam, zo een bevelende metalen stem geluid. Het deed ons meteen denken aan de achter ons liggende tijd. Achteraf bleek de maatregel weloverwogen genomen te zijn, want onder dekking bleken er in de trein nogal wat ongure personen te zitten die eerst naar Duitsland gevlucht waren toen in Holland dolle Dinsdag was, en nu probeerden in de algemene drukte, stilletjes Nederland binnen te glippen.

In Weert was het laatste opvangcentrum. Hier werden we uitgeschreven als krijgsgevangene en kregen we honderd gulden voor de eerste opvang. Een kapitaaltje voor die dagen.

Eerst met de trein via Den Bosch naar Nijmegen, waar de trein wegens de vernielde bruggen niet verder ging. Ik had nog het geluk dat ik op het station van Boxtel een collega van mijn oudste broer trof. In de haast kon ik hem nog de groeten aan mijn broer toeschreeuwen. Die wist dan alvast dat alles goed was. Aan hem had ik menig fijn voedsel pakket te danken, wat hij dan weer bij gulle Brabantse boeren had gekregen.

In Nijmegen mocht iedereen niet zomaar de brug over. Zonder speciaal pasje ging dat niet. Voor de brug klampten we een Nederlandse militaire chauffeur aan, en vertelden wie we waren. De commandant zorgde ervoor dat de passage voor ons geen moeilijkheden opleverde. Tot aan Zeist toe hadden we diverse malen van voertuig moeten wisselen, omdat men niet verder ging. Maar iedere keer gelukte het ons toch weer snel om weg te komen. In Zeist was het echter al te ver in de avond . We vroegen, en kregen onderdak in een opvangcentrum van het Rode Kruis.

De volgende morgen kwamen we in Utrecht, waar onze lift gevers van dat moment moesten zijn. Nu had ik destijds een neef die verpleger was bij de broeders van de Deo. Ik wou daarheen, omdat ik intussen een knoert van een steenpuist op mijn wang had. Een gevolg waarschijnlijk van het vette eten.

Onder de kundige handen van mijn beste neef, werd het nodige gedaan. Bij nadere beschouwing zag hij ook nog even dat ik scabbies had, wat een deftig woord voor schurft is. Van top tot teen de hele handel insmeren, was een afdoende remedie naar later gebleken is .

Bij de Catharijnebrug kregen we weer een lift, die ons helemaal tot aan de rand van Amsterdam bracht. Toen een eind lopen, en op de Haarlemmerweg kregen we de laatste lift die ons tot de Amsterdamse Poort in Haarlem bracht. In een mij bekende bloemenzaak, waar men mij bij verrassing direct herkende, kocht ik een boeket, en liet dat door hun vooruit sturen met de boodschap dat ik er aan kwam. Ik vond het griezelig om ineens voor hun neus te staan. Tenslotte zou de reactie, weet ik wat teweeg gebracht kunnen hebben.

 

Op 2 Juni rond het middaguur stapte ik de ouderlijke woning weer binnen. Ik vernam nu pas wat mijn vader geroepen had, toen bij het afscheid in Amersfoort. “Theo als de kachel brandt, ben je weer thuis. “ Uiteindelijk kreeg je natuurlijk gelijk. Alleen is ie meestal op 2 Juni uit.

 

Opgeschreven December 1971

 

Herschreven en uitgetikt December 1976. Theo van Tienen. top

 

Een cassette bandje en een CD waarop een uitzending van "Adres onbekend" is in mijn bezit. Hierin worden veel namen genoemd van mensen die in Dresden waren.

                             Terug naar Nederland

 

 

 

                                                                         Nederland

 

 

 

  

 

""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""""

 

                                                                                        Later

 

 

 

 

25 jaar later stond er in een Nederlandse krant het volgende verslag:

 

Vandaag, 25 jaar geleden, in de avond van 13 Februari 1945 en de nacht die er op volgde, werd de Duitse ( thans Oostduitse ) stad Dresden door de afdeling "Bomber Command " van de Britse R.A,F. , in twee golven gebombardeerd.

Deze aanval op burgers, militaire doelen waren er nauwelijks, was een van de gruwelijkste , zo niet de gruwelijkste, bombardementen van de tweede wereld oorlog.

De schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 100.000 tot 130.000.

Niemand weet, of zal ooit het juiste aantal doden ook maar bij benadering weten, omdat de stad in die tijd zat volgepropt met Duitse vluchtelingen vanuit het Oosten, en buitenlandse, door de Nazi's geronselde arbeidskrachten.

De aanval op Dresden was het hoogtepunt, of zo men wil het dieptepunt, van de lange serie Anglo-Amerikaanse aanvallen, die op Duitse steden werden gericht, in de laatste jaren van de oorlog. De Duitsers die met millioenen achter Hitler hadden aangelopen, kregen in die dagen " hun trekken thuis ", zoals men in de bezetten gebieden tevreden vaststelde.

 

Genuanceerder

Sinsdien zijn velen wat genuanceerder gaan denken over het bombarderen van burgers, wie dat ook doen. Vooral "Dresden " is de laatste jaren het onderwerp geweest van vele verhitte discussies van voor en tegenstanders.

Minister Luns zei van de week in een radio gesprek met kiezers, dat Dresden erger was dan de aanvallen met atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Hij noemde "het bombardement " op het misdadige af., en hij voegde er aan toe : "Dat vond ik toen ook al ."

Toen Dresden het doelwit werd van het BomberCommand, tien weken voor het einde van de oorlog, stond Nazi Duitsland al op instorten. De stad herbergde minstens een millioen vluchtelingen, maar waarschijnlijk veel meer. Gevlucht uit angst voor het Sovjet leger. Bovendien bevond zich in de stad een aantal buitenlandse slavenarbeiders, waaronder honderden Nederlanders, waarvan het aantal onbekend was. Zij allen bewaren, voor zover ze het gruwelijke bombardement overleefd hebben , aan die nacht de gruwelijkste herinneringen.

 

Kerstbomen

De eerste vliegtuigen die na het invallen van de duisternis boven de stad verschenen, gooiden brandende kerstbomen uit. Dit waren langzaam zakkende en langdurig helverlichtende fakkels.

Dit was om voor de volgende vliegtuigen de plaats te markeren, waar ze hun bommenlast moesten lossen. Om tien uur was de aanval in volle gang. De eerste bommenwerpers gooiden explosieve bommen af. Een ooggetuige vertelde " dat leek eerst nog niet zo erg ". De mensen begonnen het centrum te verlaten. Maar rond twee uur in de nacht, kwam de tweede aanval met brand en brisant bommen, waaronder ook luchtmijnen. Veel mensen werden in de open lucht verrast. De aanval met fosfor bommen was voor Dresden fataal. In minder dan geen tijd stonden grote delen van de stad in lichterlaaie. Tienduizenden mensen verbranden levend, of sprongen brandend als een menselijke fakkel in de vele blusbassins of de Elbe, waarin ze luidgillend verdronken.

Fosfor heeft de duivelse eigenschap om zich in het brandende object in te vreten.

Zelfs steen verbrand door fosfor. Na de aanval stonden de potloodvormige brandstaven als grashalmen in het wegdek.

 

Storm

De bommenwerpers van de R.A.F. gooiden in totaal 3761 ton bommen naar beneden , waaronder niet minder dan 650.000 brandbommen. Hele wijken, waaronder het centrum, werden èèn grote vuurzee. Ooggetuigen die er in slaagden de stad te ontvluchten, vertelden dat ze in de meest letterlijke zin moesten optornen tegen een zeer zware storm. Deze storm was ontstaan, doordat het enorme vacuüm, dat door de brand in de stad zelf was ontstaan, de lucht uit de wijde omgeving naar zich toe zoog.

Dresden was die nacht èèn grote hel. Een bejaarde vrouw vertelde deze week in Dresden: Verkoolde lijken lagen overal. Sommigen waren niet groter dan de omvang van een baby.

25 jaar later stond er in een Nederlandse krant het volgende verslag:

 

Vandaag, 25 jaar geleden, in de avond van 13 Februari 1945 en de nacht die er op volgde, werd de Duitse ( thans Oostduitse ) stad Dresden door de afdeling "Bomber Command " van de Britse R.A,F. , in twee golven gebombardeerd.

Deze aanval op burgers, militaire doelen waren er nauwelijks, was een van de gruwelijkste , zo niet de gruwelijkste, bombardementen van de tweede wereld oorlog.

De schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 100.000 tot 130.000.

Niemand weet, of zal ooit het juiste aantal doden ook maar bij benadering weten, omdat de stad in die tijd zat volgepropt met Duitse vluchtelingen vanuit het Oosten, en buitenlandse, door de Nazi's geronselde arbeidskrachten.

De aanval op Dresden was het hoogtepunt, of zo men wil het dieptepunt, van de lange serie Anglo-Amerikaanse aanvallen, die op Duitse steden werden gericht, in de laatste jaren van de oorlog. De Duitsers die met millioenen achter Hitler hadden aangelopen, kregen in die dagen " hun trekken thuis ", zoals men in de bezetten gebieden tevreden vaststelde.

 

Genuanceerder

Sinsdien zijn velen wat genuanceerder gaan denken over het bombarderen van burgers, wie dat ook doen. Vooral "Dresden " is de laatste jaren het onderwerp geweest van vele verhitte discussies van voor en tegenstanders.

Minister Luns zei van de week in een radio gesprek met kiezers, dat Dresden erger was dan de aanvallen met atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Hij noemde "het bombardement " op het misdadige af., en hij voegde er aan toe : "Dat vond ik toen ook al ."

Toen Dresden het doelwit werd van het BomberCommand, tien weken voor het einde van de oorlog, stond Nazi Duitsland al op instorten. De stad herbergde minstens een millioen vluchtelingen, maar waarschijnlijk veel meer. Gevlucht uit angst voor het Sovjet leger. Bovendien bevond zich in de stad een aantal buitenlandse slavenarbeiders, waaronder honderden Nederlanders, waarvan het aantal onbekend was. Zij allen bewaren, voor zover ze het gruwelijke bombardement overleefd hebben , aan die nacht de gruwelijkste herinneringen.

 

Kerstbomen

De eerste vliegtuigen die na het invallen van de duisternis boven de stad verschenen, gooiden brandende kerstbomen uit. Dit waren langzaam zakkende en langdurig helverlichtende fakkels.

Dit was om voor de volgende vliegtuigen de plaats te markeren, waar ze hun bommenlast moesten lossen. Om tien uur was de aanval in volle gang. De eerste bommenwerpers gooiden explosieve bommen af. Een ooggetuige vertelde " dat leek eerst nog niet zo erg ". De mensen begonnen het centrum te verlaten. Maar rond twee uur in de nacht, kwam de tweede aanval met brand en brisant bommen, waaronder ook luchtmijnen. Veel mensen werden in de open lucht verrast. De aanval met fosfor bommen was voor Dresden fataal. In minder dan geen tijd stonden grote delen van de stad in lichterlaaie. Tienduizenden mensen verbranden levend, of sprongen brandend als een menselijke fakkel in de vele blusbassins of de Elbe, waarin ze luidgillend verdronken.

Fosfor heeft de duivelse eigenschap om zich in het brandende object in te vreten.

Zelfs steen verbrand door fosfor. Na de aanval stonden de potloodvormige brandstaven als grashalmen in het wegdek.

 

Storm

De bommenwerpers van de R.A.F. gooiden in totaal 3761 ton bommen naar beneden , waaronder niet minder dan 650.000 brandbommen. Hele wijken, waaronder het centrum, werden èèn grote vuurzee. Ooggetuigen die er in slaagden de stad te ontvluchten, vertelden dat ze in de meest letterlijke zin moesten optornen tegen een zeer zware storm. Deze storm was ontstaan, doordat het enorme vacuüm, dat door de brand in de stad zelf was ontstaan, de lucht uit de wijde omgeving naar zich toe zoog.

Dresden was die nacht èèn grote hel. Een bejaarde vrouw vertelde deze week in Dresden: Verkoolde lijken lagen overal. Sommigen waren niet groter dan de omvang van een baby.

25 jaar later stond er in een Nederlandse krant het volgende verslag:

 

Vandaag, 25 jaar geleden, in de avond van 13 Februari 1945 en de nacht die er op volgde, werd de Duitse ( thans Oostduitse ) stad Dresden door de afdeling "Bomber Command " van de Britse R.A,F. , in twee golven gebombardeerd.

Deze aanval op burgers, militaire doelen waren er nauwelijks, was een van de gruwelijkste , zo niet de gruwelijkste, bombardementen van de tweede wereld oorlog.

De schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 100.000 tot 130.000.

Niemand weet, of zal ooit het juiste aantal doden ook maar bij benadering weten, omdat de stad in die tijd zat volgepropt met Duitse vluchtelingen vanuit het Oosten, en buitenlandse, door de Nazi's geronselde arbeidskrachten.

De aanval op Dresden was het hoogtepunt, of zo men wil het dieptepunt, van de lange serie Anglo-Amerikaanse aanvallen, die op Duitse steden werden gericht, in de laatste jaren van de oorlog. De Duitsers die met millioenen achter Hitler hadden aangelopen, kregen in die dagen " hun trekken thuis ", zoals men in de bezetten gebieden tevreden vaststelde.

 

Genuanceerder

Sinsdien zijn velen wat genuanceerder gaan denken over het bombarderen van burgers, wie dat ook doen. Vooral "Dresden " is de laatste jaren het onderwerp geweest van vele verhitte discussies van voor en tegenstanders.

Minister Luns zei van de week in een radio gesprek met kiezers, dat Dresden erger was dan de aanvallen met atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Hij noemde "het bombardement " op het misdadige af., en hij voegde er aan toe : "Dat vond ik toen ook al ."

Toen Dresden het doelwit werd van het BomberCommand, tien weken voor het einde van de oorlog, stond Nazi Duitsland al op instorten. De stad herbergde minstens een millioen vluchtelingen, maar waarschijnlijk veel meer. Gevlucht uit angst voor het Sovjet leger. Bovendien bevond zich in de stad een aantal buitenlandse slavenarbeiders, waaronder honderden Nederlanders, waarvan het aantal onbekend was. Zij allen bewaren, voor zover ze het gruwelijke bombardement overleefd hebben , aan die nacht de gruwelijkste herinneringen.

 

Kerstbomen

De eerste vliegtuigen die na het invallen van de duisternis boven de stad verschenen, gooiden brandende kerstbomen uit. Dit waren langzaam zakkende en langdurig helverlichtende fakkels.

Dit was om voor de volgende vliegtuigen de plaats te markeren, waar ze hun bommenlast moesten lossen. Om tien uur was de aanval in volle gang. De eerste bommenwerpers gooiden explosieve bommen af. Een ooggetuige vertelde " dat leek eerst nog niet zo erg ". De mensen begonnen het centrum te verlaten. Maar rond twee uur in de nacht, kwam de tweede aanval met brand en brisant bommen, waaronder ook luchtmijnen. Veel mensen werden in de open lucht verrast. De aanval met fosfor bommen was voor Dresden fataal. In minder dan geen tijd stonden grote delen van de stad in lichterlaaie. Tienduizenden mensen verbranden levend, of sprongen brandend als een menselijke fakkel in de vele blusbassins of de Elbe, waarin ze luidgillend verdronken.

Fosfor heeft de duivelse eigenschap om zich in het brandende object in te vreten.

Zelfs steen verbrand door fosfor. Na de aanval stonden de potloodvormige brandstaven als grashalmen in het wegdek.

 

Storm

De bommenwerpers van de R.A.F. gooiden in totaal 3761 ton bommen naar beneden , waaronder niet minder dan 650.000 brandbommen. Hele wijken, waaronder het centrum, werden èèn grote vuurzee. Ooggetuigen die er in slaagden de stad te ontvluchten, vertelden dat ze in de meest letterlijke zin moesten optornen tegen een zeer zware storm. Deze storm was ontstaan, doordat het enorme vacuüm, dat door de brand in de stad zelf was ontstaan, de lucht uit de wijde omgeving naar zich toe zoog.

Dresden was die nacht èèn grote hel. Een bejaarde vrouw vertelde deze week in Dresden: Verkoolde lijken lagen overal. Sommigen waren niet groter dan de omvang van een baby.

25 jaar later stond er in een Nederlandse krant het volgende verslag:

 

Vandaag, 25 jaar geleden, in de avond van 13 Februari 1945 en de nacht die er op volgde, werd de Duitse ( thans Oostduitse ) stad Dresden door de afdeling "Bomber Command " van de Britse R.A,F. , in twee golven gebombardeerd.

Deze aanval op burgers, militaire doelen waren er nauwelijks, was een van de gruwelijkste , zo niet de gruwelijkste, bombardementen van de tweede wereld oorlog.

De schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 100.000 tot 130.000.

Niemand weet, of zal ooit het juiste aantal doden ook maar bij benadering weten, omdat de stad in die tijd zat volgepropt met Duitse vluchtelingen vanuit het Oosten, en buitenlandse, door de Nazi's geronselde arbeidskrachten.

De aanval op Dresden was het hoogtepunt, of zo men wil het dieptepunt, van de lange serie Anglo-Amerikaanse aanvallen, die op Duitse steden werden gericht, in de laatste jaren van de oorlog. De Duitsers die met millioenen achter Hitler hadden aangelopen, kregen in die dagen " hun trekken thuis ", zoals men in de bezetten gebieden tevreden vaststelde.

 

Genuanceerder

Sinsdien zijn velen wat genuanceerder gaan denken over het bombarderen van burgers, wie dat ook doen. Vooral "Dresden " is de laatste jaren het onderwerp geweest van vele verhitte discussies van voor en tegenstanders.

Minister Luns zei van de week in een radio gesprek met kiezers, dat Dresden erger was dan de aanvallen met atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Hij noemde "het bombardement " op het misdadige af., en hij voegde er aan toe : "Dat vond ik toen ook al ."

Toen Dresden het doelwit werd van het BomberCommand, tien weken voor het einde van de oorlog, stond Nazi Duitsland al op instorten. De stad herbergde minstens een millioen vluchtelingen, maar waarschijnlijk veel meer. Gevlucht uit angst voor het Sovjet leger. Bovendien bevond zich in de stad een aantal buitenlandse slavenarbeiders, waaronder honderden Nederlanders, waarvan het aantal onbekend was. Zij allen bewaren, voor zover ze het gruwelijke bombardement overleefd hebben , aan die nacht de gruwelijkste herinneringen.

 

Kerstbomen

De eerste vliegtuigen die na het invallen van de duisternis boven de stad verschenen, gooiden brandende kerstbomen uit. Dit waren langzaam zakkende en langdurig helverlichtende fakkels.

Dit was om voor de volgende vliegtuigen de plaats te markeren, waar ze hun bommenlast moesten lossen. Om tien uur was de aanval in volle gang. De eerste bommenwerpers gooiden explosieve bommen af. Een ooggetuige vertelde " dat leek eerst nog niet zo erg ". De mensen begonnen het centrum te verlaten. Maar rond twee uur in de nacht, kwam de tweede aanval met brand en brisant bommen, waaronder ook luchtmijnen. Veel mensen werden in de open lucht verrast. De aanval met fosfor bommen was voor Dresden fataal. In minder dan geen tijd stonden grote delen van de stad in lichterlaaie. Tienduizenden mensen verbranden levend, of sprongen brandend als een menselijke fakkel in de vele blusbassins of de Elbe, waarin ze luidgillend verdronken.

Fosfor heeft de duivelse eigenschap om zich in het brandende object in te vreten.

Zelfs steen verbrand door fosfor. Na de aanval stonden de potloodvormige brandstaven als grashalmen in het wegdek.

 

Storm

De bommenwerpers van de R.A.F. gooiden in totaal 3761 ton bommen naar beneden , waaronder niet minder dan 650.000 brandbommen. Hele wijken, waaronder het centrum, werden èèn grote vuurzee. Ooggetuigen die er in slaagden de stad te ontvluchten, vertelden dat ze in de meest letterlijke zin moesten optornen tegen een zeer zware storm. Deze storm was ontstaan, doordat het enorme vacuüm, dat door de brand in de stad zelf was ontstaan, de lucht uit de wijde omgeving naar zich toe zoog.

Dresden was die nacht èèn grote hel. Een bejaarde vrouw vertelde deze week in Dresden: Verkoolde lijken lagen overal. Sommigen waren niet groter dan de omvang van een baby.

                    top